Commentaar

Art. 17 bepaalt de bestemming van de borgtocht : het waarborgen van welbepaalde schulden van de vervoeronderneming.

De bestemming van de borgtocht werd in het verleden dikwijls op verschillende wijzen ge&Mac245;¨nterpreteerd. Teneinde voortaan elke betwisting te voorkomen, preciseert onderhavig ontwerp voor welke schuldvorderingen aanspraak kan worden gemaakt op de borgtocht.

Aldus garandeert de borgtocht volgens artikel 17, § 1, 1°, de schulden die voortvloeien uit de levering van bepaalde materie¨le goederen en diensten die als onontbeerlijk worden beschouwd voor de uitvoering van vervoer van zaken tegen vergoeding over de weg, alsook voor de ledige ritten in verband met dit vervoer.

De voorgestelde lijst, die noodzakelijkerwijs arbitrair is door haar beperkt karakter, moet echter wel als volledig worden beschouwd.

Wat de in de punten a) en b) bedoelde leveringen van materiële goederen en diensten betreft, maakt het bij ontstentenis van uitdrukkelijke beperkingen weinig verschil uit of de betrokken goederen rechtstreeks door de leverancier werden gefactureerd, dan wel of zij werden aangekocht door middel van een magnetische betaalkaart.

Overeenkomstig artikel 17, § 1, 2° strekt de borg o.a. tot dekking van de schulden die voortvloeien uit de vervoerovereenkomsten, zowel hoofdovereenkomsten als overeenkomsten van onderaanneming, gesloten door de onderneming.

Overeenkomsten van onderaanneming worden in de praktijk veelvuldig gesloten, zodat men de onderaannemers heeft willen beschermen.

Om deze manifeste wil tot bescherming niet uit te hollen, wordt benadrukt dat niet zozeer de relatie hoofdvervoerder-opdrachtgever maar wel de relatie hoofdvervoerder-onderaannemer van tel is.

Wanneer een hoofdvervoerder transporten aan onderaannemers toevertrouwt, is het de bedoeling dat deze onderaannemers een beroep moeten kunnen doen op de borgtocht van de hoofdvervoerder, zelfs in de hypothese dat deze laatste zou beschikken over een vergunning van vervoercommissionair, [hoewel dit in se niet verplicht is (zie art. 20, § 2 van het K.B. van 18 juli 1975)].

Bovendien mag de overeenkomst niet gekwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst indien de onderaannemer veelvuldig, zelfs uitsluitend, rijdt voor één cliënt/hoofdvervoerder.

De financiële en economische organisatie van het werk wordt immers door de onderaannemer gedaan zodat hij wel degelijk aanspraak kan maken op de borgtocht.

Immers bekleedt een onderaannemer daadwerkelijk het statuut van zelfstandig beroepsgoederenvervoerder aangezien hij dient te beantwoorden aan de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep en moet beschikken over de vereiste vergunningen om bezoldigd vervoer voor rekening van derden - in casu voor de hoofdvervoerder - te verrichten.