|
|
TITEL VIII. - Wijzigingsbepalingen
|
|
| Wijzigingen op het wetboek der zegelrechten | Art 64-66 |
| Wijzigingen bij de inning van een som of consignatie | Art 67 |
HOOFDSTUK I
Wijzigingsbepalingen.
Art 64
Artikel 1, vierde lid, van het besluit van de Regent van 18 september 1947 betreffende de uitvoering van het Wetboek der zegelrechten, ingevoegd door het koninklijk besluit van 12 augustus 1970, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Bij afwijking van het eerste lid, mag het recht verschuldigd voor de akten en geschriften bedoeld in artikel 8, 13° tot 20° en 22° en artikel 11, 1°, 3°, 4° en 6° van het Wetboek, gekweten worden in speciën, onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 26 en 26bis van dit besluit, op basis van periodieke aangiften ingediend op het kantoor van het zegel of, bij ontstentenis, op het kantoor der registratie belast met het registreren der gerechtelijke akten.
De verschuldigde rechten worden gekweten :
1° wanneer zij verschuldigd zijn bij toepassing van artikel 8, 13° tot 20° en 22° van het Wetboek, door de administratie, de openbare instelling, de ambtenaar van de burgerlijke stand of de burgemeester of zijn afgevaardigde, voor de akten of geschriften die zij opmaken en voor de akten die met hun tussenkomst worden verleden;
2° wanneer zij verschuldigd zijn bij toepassing van artikel 11, 1°, 3°, 4° en 6° van het Wetboek, door de bankiers en de bij artikel 54 van genoemd Wetboek met bankiers gelijkgestelde personen, voor de akten of geschriften die zij opmaken of aanvaarden. »
Art 65 en 66 .............................
Art 67
De artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige overtredingen inzake het vervoer over de weg, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001 tot invoering van de euro in de besluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, het wegverkeer en de A.D.R., worden vervangen door de volgende bepalingen :
« Art. 2. Onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 32 tot 34 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg, in artikel 31bis van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocar, in artikel 65 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en in artikel 2bis van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg :
1° kunnen de volgende inbreuken vastgesteld op een openbare plaats zoals bepaald in artikel 28 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, aanleiding geven tot de inning ter plaatse en per inbreuk van de hierna aangegeven sommen :
2° kunnen de inbreuken op de hierna vermelde artikelen van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, vastgesteld op een openbare plaats zoals bepaald in artikel 28 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, aanleiding geven tot de inning ter plaatse en per inbreuk van de hierna aangegeven sommen :
3° kunnen de inbreuken op de hierna vermelde artikelen van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (A.E.T.R.), vastgesteld op een openbare plaats zoals bepaald in artikel 28 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, aanleiding geven tot de inning ter plaatse en per inbreuk van de hierna aangegeven sommen :
4° kunnen de overige inbreuken op de onder 1°, 2° en 3° van dit artikel opgesomde verordeningen van de Europese Unie, internationale overeenkomsten, wetten en besluiten, vastgesteld op een openbare plaats zoals bepaald in artikel 28 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, aanleiding geven tot de inning ter plaatse en per overtreding van een som van 62 EUR.
Art. 3.
§ 1. Bij het vaststellen van het gebruik van valse of vervalste vervoervergunningen of van als dusdanig geldende documenten opgelegd door de verordeningen van de Europese Unie, wetten en besluiten vermeld in artikel 2, 1° wordt de totaal ter plaatse te innen som verhoogd met 1 250 EUR.
§ 2. Bij vaststelling van manipulaties die tot doel hebben de goede werking van het controleapparaat waarmee het voertuig is uitgerust of een correcte registratie van de gegevens op de registratiebladen van dit apparaat te verhinderen evenals van vervalsing van de gegevens vermeld op de registratiebladen opgelegd door de voornoemde verordeningen (EEG) nrs. 3820/85 en 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 en door de voornoemde A.E.T.R.-Overeenkomst, of van elke andere handeling om zich te onttrekken aan een controle, wordt het totaal van de ter plaatse te innen som verhoogd met 1 250 EUR. »