|
Verkeerstekens en hun plaatsingsvoorwaarden.
|
| Art. 7. Gevaarsborden. |
Wanneer een gevaarsbord met uitzondering van de verkeersborden A45 en A47 niet geplaatst is op een afstand van ongeveer 150 m van de gevaarlijke plaats, moet een onderbord van het type Ia van de bijlage 2 tot dit besluit onder dit bord aangebracht worden.
type 1a
A45
A47
![]()
7.1. Verkeersbord A1. Gevaarlijke bocht.
A1b
A1c
A1d
Het symbool wordt gekozen volgens de plaatsgesteldheid.
Mogen slechts gesignaleerd worden de bochten die onverwacht opduiken of de bochten die met een gevoelige snelheidsvermindering moeten genomen worden.
De plaatsingsafstand van dit verkeersbord wordt gemeten vanaf het begin van de bocht.
In geval van opeenvolgende bochten, wordt dit verkeersbord slechts voor de eerste bocht geplaatst; een onderbord van het type II van bijlage 2 tot dit besluit vermeldt dan de lengte van het bochtig vak.
type II ![]()
7.2. Verkeersborden A3 en A5. Gevaarlijke daling en steile helling.
A5
Mogen slechts gesignaleerd worden de rijbanen met een helling of daling van ten minste 7 pct.
7.3. Verkeersbord A7. Rijbaanversmalling.
Het symbool wordt gekozen volgens de plaatsgesteldheid. Mogen slechts gesignaleerd worden de rijbaanversmallingen van ten minste 1,00 m, die gevaarlijk zijn voor het verkeer. Indien deze versmallingen de omvang van een rijstrook hebben, moeten zij gesignaleerd worden, behalve in de woonerven en de zones 30 ; een onderbord van het type IX van bijlage 2 bij dit besluit moet onder het verkeersbord aangebracht worden. type IX Er mag eveneens gebruik worden gemaakt van een verkeersbord F97 alleen geplaatst. 7.4. Verkeersbord A13. Uitholling overdwars of ezelsrug.
7.4.bis Verkeersbord A14. Verhoogde inrichting op de openbare weg.
Gesignaleerd moeten worden de verhoogde inrichtingen op de openbare weg, aangelegd overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 oktober 1998 tot bepaling van de vereisten voor de aanleg van verhoogde inrchtingen op de openbare weg en van de technische voorschriften waaraan deze moeten voldoen. Ingeval van opeenvolgende verhoogde inrchtingen op de openbare weg, wordt dit verkeersbord slechts vóór de eerste verhoogde inrchtingen op de openbare weg geplaatst; een onderbord van het type II van bijlage 2 tot dit besluit vermeldt dan de lengte van de sectie waarop verhoogde inrchtingen op de openbare weg aangelegd zijn. De verhoogde inrchtingen op de openbare weg, aangelegd binnen de zones afgebakend door de verkeersborden F4a en F4b, moeten evenwel niet gesignaleerd worden. 7.5. Verkeersbord A15. Glibberige rijbaan.
1° Door dit verkeersbord mogen alleen de plaatsen worden aangekondigd, waar de rijbaan in haar normale staat als glibberig bekend staat. 2° De plaatsen van een rijbaan die ingevolge bijzondere omstandigheden dikwijls glibberig worden in de loop van het jaar, mogen slechts worden aangekondigd door dit verkeersbo 3° De plaatsen van een rijbaan waarop het enkel glad is door seizoengebonden omstandigheden, mogen slechts aangekondigd worden door wegneembare of plooibare borden, of door borden die alleen zichtbaar worden gemaakt wanneer gladheid zich daar dreigt voor te doen. Het onderbord voorzien bij artikel 66.4. voor het verkeersbord A15 van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, gebruikt voor sneeuwval of ijzel of een onderbord van het type III van bijlage 2 bij dit besluit, vult het verkeersbord aan (b.v. bladerval, bieten...). 7.6. Verkeersbord A21. Oversteekplaats voor voetgangers.
A7a
A7b
A7c
![]()
Mogen slechts gesignaleerd worden de uithollingen overdwars of de ezelsruggen die met een gevoelige snelheidsvermindering moeten genomen worden.
rd met een onderbord van het type III van bijlage 2 tot dit besluit (bijvoorbeeld door " Bij nat wegdek ").
Moeten gesignaleerd worden de oversteekplaatsen voor voetgangers op rijbanen waar de maximum toegelaten snelheid hoger ligt dan 70 km/u. Dit verkeersbord wordt niet geplaatst wanneer er een verkeersbord A23 is of een oversteekplaats voor voetgangers die beschermd wordt door driekleurige verkeerslichten.
7.7. Verkeersbord A23. Plaats waar speciaal veel kinderen komen.
| Moet gesignaleerd worden de nadering van de scholen en van de speelpleinen waar speciaal veel kinderen komen. |
7.8. Verkeersbord A25. Oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen of plaats waar die bestuurders van een fietspad op de rijbaan komen.
Moeten gesignaleerd worden :
7.9. Verkeersbord A27. Doortocht van groot wild.
| Mogen slechts gesignaleerd worden de rijbaanvakken waar regelmatig groot wild (herten, reebokken, everzwijnen) oversteekt. |
7.10. Verkeersbord A33. Verkeerslichten.
|
Buiten de bebouwde kommen moeten gesignaleerd worden de driekleurige verkeerslichten die, wegens de plaatsgesteldheid, door de weggebruikers niet kunnen gezien worden vanop een afstand van ongeveer 150m. Wanneer die verkeerslichten kunnen gezien worden vanop een grotere afstand dan 150m, mag het verkeersbord A33 slechts uitzonderlijk worden gebruikt. |
7.11. Verkeersbord A37. Zijwind.
Moeten gesignaleerd worden de rijbaanvakken waarop dikwijls een sterke zijwind waait en waar een windzak voorzien is.
7.12. Verkeersbord A39. Verkeer toegelaten in beide richtingen na een gedeelte van de rijbaan met éénrichtingsverkeer.
Moet gesignaleerd worden elk rijbaanvak dat normaal bestemd is voor éénrichtingsverkeer wanneer die rijbaan er tijdelijk opengesteld is voor het verkeer in de twee richtingen; een onderbord vanhet type II van bijlage 2 tot dit besluit duidt de lengte van het vak aan.
7.13. Verkeersbord A51. Gevaar dat niet door een speciaal symbool wordt aangeduid.
Een onderbord van het type III van bijlage 2 tot dit besluit duidt de aard van het gevaar aan. Dit verkeersbord wordt slechts geplaatst wanneer geen ander gevaarsbord kan gebruikt worden.
|
|||||
|
|
|