naar indexBijlage 19

EENVORMIGE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE GOEDKEURING VAN DE FABRICATIE VAN VERZOOLDE LUCHTBANDEN VOOR PERSONENWAGENS (*)

INHOUDSTABEL

REGLEMENT

1. Toepassingsgebied
2. Definities
3. Opschriften
4. Goedkeuringsaanvraag
5. Goedkeuring
6. Voorschriften
7. specificaties
8. Wijzigingen m.b.t. de goedkeuring
9. Gelijkvormigheid van de productie
10. Sancties voor niet-gelijkvormigheid van de productie
11. Definitief stopzetten van de productie
12. Namen en adressen van de technische diensten belast met de goedkeuringstest, de proeflaboratoria en de administratieve diensten.
(*) De tekst is de vertaling van het Reglement nr. 108 - herziening 2 , in werking getreden op 23 juni 1998, opgenomen in de toevoeging 107 van de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorrijtuigen, ondertekend op 20 maart 1958, te Genève, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 februari 1961.

BIJLAGEN

Bijlage 1 - Mededeling m.b.t. de goedkeuring, de uitbreiding, de weigering of de intrekking van een goedkeuring of het definitief stopzetten van een verzoolonderneming, in toepassing van het Reglement Nr. 108
Bijlage 2 - Voorbeeld van het goedkeuringsmerkteken.
Bijlage 3 - Schema van de merktekens op verzoolde luchtbanden.
Bijlage 4 - Lijst met de belastingsindexen en de overeenstemmende massa's.
Bijlage 5 - Specificatie en buitenafmetingen van de luchtbanden.
Bijlage 6 - Methode voor het meten van luchtbanden.
Bijlage 7 - Modus operandi voor de test van het weerstandsvermogen belasting/snelheid.
Bijlage 8 - Verklarende figuur.


1. TOEPASSINGSGEBIED
Dit reglement is van toepassing op de fabricatie van verzoolde luchtbanden bestemd voor personenauto's en hun aanhangwagens voor gebruik op de weg, met uitzondering van:
1.1
Verzoolde luchtbanden voor bedrijfsvoertuigen en hun aanhangwagens;
1.2
Verzoolde luchtbanden waarvan de snelheidscategorie lager is dan 120 km/u of hoger dan 240 km/u;
1.3
Luchtbanden voor fietsen en motorfietsen;
1.4
Luchtbanden die origineel niet voorzien zijn van het symbool van snelheidscategorie en belastingsindex;
1.5
Luchtbanden die origineel niet voorzien zijn van het goedkeuringstype en de vermelding "E" of "e";
1.6
Luchtbanden bestemd voor personenauto's gebouwd voor 1939;
1.7
Luchtbanden exclusief bestemd voor competitie of voor terreinauto's en dienovereenkomstig gemkarkeerd;
1.8
Reserveluchtbanden voor tijdelijk gebruik van het type "I"
2.


DEFINITIES
Zie eveneens de afbeelding van bijlage 8.

In het kader van dit Reglement verstaat men onder:

2.1
"Gamma verzoolde luchtbanden", het gamma verzoolde luchtbanden volgens punt 4.1.4;
2.2

"Structuur van een luchtband", de technische karakteristieken van het karkas van een luchtband. Hier onderscheidt men namelijk volgende structuren:
2.2.1

"Diagonaal", een luchtband waarvan de koorden in de koordlagen zich tot de hiel uitstrekken en zodanig gericht zijn dat ze afwisselend hoeken vormen die aanzienlijk kleiner zijn dan 90° t.o.v. de middellijn van het loopvlak;
2.2.2

"Diagonaal-gordel", (Bias-belted) een luchtband met diagonale constructie waarin het karkas is bevestigd door een gordel bestaande uit twee of meerdere koordlagen die volstrekt onrekbaar zijn en kruiselings over elkaar liggen onder een hoek die bijan overeenstemt met die van het karkas;
2.2.3

"Radiaal", een luchtband waarvan de koorden in de koordlagen zich tot de hiel uitstrekken en zodanig gericht zijn dat ze een hoek vormen die nagenoeg gelijk is aan 90° t.o.v. de middellijn van het loopvlak en warvan het karkas verstevigd wordt door een volstrekt onrekbare gordel die de hele omtrek beslaat;
2.3
"Gebruikscategorie"
2.3.1
Normale luchtband: luchtband enkel bestemd voor normaal gebruik op de weg;
2.3.2


Winterband: een luchtband waarvan de tekening op het loopvlak, of waarvan de tekening op het loopvlak en de structuur, hoofdzakelijk ontworpen is om een beter prestatievermogen te leveren dan een normale luchtband bij gebruik in modder en verse of smeltende sneeuw. De tekening vanhet loopvlak van een winterband bestaat in het algemeen uit groeven(nerven) en massieve vlakken met bredere tussenruimten dan bij een normale luchtband;
2.3.3

Reserveband voor tijdelijk gebruik, een luchtband die verschilt van deze waarmee ieder rijdend voertuig uitgerust is in normale omstandigheden. Zij zijn enkel voorzien voor tijdelijk gebruik in beperkte rijomstandigheden;
2.3.4

Reserveband voor tijdelijk gebruik van het type "T" een type reserveband voorzien voor tijdelijk gebruik voor gebruik met een hogere bandenspanning dan deze voorgeschreven voor standaard- en versterkte luchtbanden;
2.4
"Hiel", deel van de luchtband waarvan de vorm en de structuur het mogelijk maken dat de band op de velg past en hierop vast blijft zitten;
2.5
"Koord", draden die de weefsels van de koordlagen van de luchtband vormen;
2.6
"Koordlaag", lag onderling evenwijdige koorden die met rubber zijn bekleed;
2.7

"Gordel", betekent, voor een luchtband met radiaalstructuur of een luchtband met diagonaalgordel, één of meerdere lagen materiaal (of materialen) onder het loopvlak en merkbaar geplaatst in de richting van de looplijn om het aanflenzen van de karkasomtrek te verzekeren;
2.8
"Onechte gordel", betekent, voor een luchtband met diagonale structuur, een tussenlaag tussen het karkas en het loopvlak;
2.9
"Hielstrook", het materiaal dat het karkas ronde de hielzone beschermt tegen slijtage door wrijven of schuren veroorzaakt door de velg;
2.10
"Karkas", het structureel gedeelte van de luchtband buiten het loopvlak en de rubber zijwanden dat, wanneer de band opgepomt is, de belasing draagt;
2.11
"Loopvlak", het gedeelte van de luchtband bestemd om contact te hebben met de weg, het karkas te beschermen tegen mechanische beschadiging en bij te drage tot een beter wegcontact;
2.12
"Zijwand of "wang", het deel van de luchtband tussen het loopvla en de zone die onder de rand van de velg moet zitten;
2.13
"Onderzijwand van de luchtband", de zone die begrepen ligt tussen het breedste deel van de luchtband en de zone bestemd om onder de rand van de velg te zitten;
2.14
"Groef van het loopvlak", de spatie tussen twee nerven of twee aangrenzende vlakken van het profiel;
2.15
"Hoofdgroeven", de brede groeven van de centrale zone vanhet loopvlak die ongeveer drievierden van de breedte hiervan inneemt;
2.16

"Sectiebreedte", de afstand in rechte lijn tussen de buitenkant van de zijwanden van een opgepmpte luchtband die op de velg van de aangeduide afmeting gemonteerd is, exclusief het reliêf gevormd door de opschriften, decoraties, beschermnaden of -nerven;
2.17

"Totale sectiebreedte", de afstand in rechte lijn tussen de buitenkant van de zijwanden van een opgepompte luchtband die op de velg van de aangeduide afmeting gemonteerd is, met inbegrip van het reliêf gevormd door de opschriften, decoraties, beschermnaden of -nerven;
2.18
"Sectiehoogte", de afstand gelijk aan de helft van het verschil tussen de buitendiameter van de luchtband en de nominale diameter van de velg;
2.19

"Nominale hoogte-breedteverhouding", het hondervoud van het getal bekomen door het getal dat de nominale sectiehoogte uitdrukt te delen door het getal dat de nominale sectiebreedte uitdrukt; deze twee afmetingen moeten uitgedrukt zijn in dezelfde eeheid;
2.20
"Buitendiameter", de totale diameter, alles ingebroepn, van de opgepomte luchtband die pas van een nieuw loopvlak voorzien is;
2.21
"Maataanduiding van de luchtband", specificatie die het bolgend vermeldt:
2.21.1

De nominale sectiebreedte. Deze dient uitgdtrukt te zijn in milimeters, behalve voor types luchtbanden waarvan de specificatie voorkomt in de eerste kolom van de tabellen in bijlage 5 van dit Reglement;
2.21.2
De nominale hoogte-breedteverhouding, behalve voor de luchtbandenwaarvan de specificatie voorkomt in de eerste kolom van de tabellen in bijlage 5 bij dit Reglement;
2.21.3

Een conventioneel getal, "d" (het symbool "d") dit getal karakteriseert de nominale diameter van de velg en stemt overeen met de diameter ervan uitgedrukt hetzij in codes (getallen kleiner dan 100), hetzij in millimeters (getallen groter dan 100). De twee kunnen ook samen gebruikt worden;
2.21.4
De waarden van de symbolen "d", uitgedrukt in millimeters, staan hierna vermeld:


Code van de nominale diameter van de velg - "d"
Waarde vanhet symbool "d" uitgdrukt in mm
8
203
9
229
10
254
11
279
12
305
13
330
14
356


15
381
16
406
17
432
18
457
19
483


20
508
21
533
2.22
"Nominale velgdiameter (d)", de diameter van de velg waarop een luchtband gemonteerd wordt;
2.23
"Velg", de drager van een luchtband met binnenband of voor een luchtband zonder binnenband waarop de hielen van de luchtband steunen;
2.24
"Meetvelg", de velg aaneduid als «theoretische velgbreedte» voor een gegeven aanduding van de afmetingen van de luchtband in eender welke uitgave van een of meerdere Internationale normen voor de luchtbanden;
2.25
"Proefvelg", iedere velg beschreven als goedgekeurd of aanbevolen of toegelaten in een van de Internationale normen voor de luchtbanden voor een luchtband met deze maataanduidingen en van dit type;
2.26
"Internationale norm voor de luchtbanden", één van de volgende normatieve documenten:
  1. The European Tyre and Rim Technical Organisation (ETRO) 1/ : 'Standards Manual',
  2. The European Tyre and Rim Technical Organisation (ETRO) 1/ : 'Engineering Desingn Information - obsolete data',
  3. The Tyre and Rim Technical Association Inc. (TRA) 2/ : 'Year Book',
  4. The Japan Automobiel Tire Manufactures Association (JATMA) 3/ : 'Year Book',
  5. The Tyre and Rim Association of Autralia (TRAA) 4/ : 'Standards Manual',
  6. The Assiciacao Brasileira de Pneus e Aros (ABPA) 5/ : 'Manual de Normal Technicas',
  7. The Scandinavian Tyre and Rim Organisation (STRO) 6/ : 'Data Book';
De normen m.b.t. de luchtbanden kunnen op volgende adressen bekomen worden:

1/ ETRTO Brugmannlaan 32/bus 2, 1060 Brussel, België
2/ TRA Montrose West Avenue 175 suite 150, Copley, 44321 Ohio, VS
3/ JATMA Roanomon Building Nr 1-12 9th floor; Chome Roranomon Minato-ku, 105 Tokyo, Japan.
4/ TRAA Hawthorn House Glenferrie Road 795 suite 1, Hawthorn, 3122 Victoria, Australië

2.27
"Afscheuren", het scheiden van stukjes rubber van het loopvlak;
2.28
"Separatie van de koorden", het loslaten van de koorden van de gombekleding waarin ze gevat zijn;
2.29
"Separatie van de lagen", het onderling loslaten van de koordlagen;
2.30
"Separatie van het loopvlak", het loslaten van he loopvalk van de karkas;
2.31
"Slijtage-indicator", verhogingen in de groeven van het loopvlak, bestemd om de slijtagegraad van het loopvlak zichtbaar te maken;
2.32
"Dienstdoende omschrijving", het specifiek naast mekaar plaatsen van de belasingsindex en het symbool van de snelheidscategorie van de luchtband
2.33
"Belastingsindex", een cijfercode die de maximale belasting aanduidt die de band kan dragen;
de lijst met de belasingsindexen en de overenstemmende massa's bevindt zich in bijlage 4 bij dit Reglement.
2.34
"Snelheidssymbool", geeft het voglende aan:
2.34.1
Een alfabetische symbool dat de snelheid aanduidt waaraan de luchtband de massa kan vervoeren die bepaald is door de overenstemmende belastingsindex;
2.34.2
De snelheidssymbolen en de overeenstemmende snelheden zijn in onderstaande tabel aangeduid:
Snelheidssymbool
Overeenstemmende maximumsnelheid
(km/u)
L
120
M
130
N
140
P
150
Q
160
R
170
S
180
T
190
U
200
H
210
V
240
2.35
"Maximum draagvermogen", de maximum toegelaten massa die de luchtband mag dragen;
2.35.1
Voor een snelheid hoger dan 210 km/u maar die de 240 km/u niet overschrijdt (luchtband ondergegracht in de snelheidscategorie «V»), mag het maximum draagvermogen niet groter zijn dan het percentage van de waarde verbonden aan het opgegeven draagvermogen van de luchtband dat in onderstaande tabel vermeld staat naast de snelheid waartoe het voertuig - waarop de luchtband moet gemonteerd worden - in staat is:
Maximum snelheid
(km/u)
Belasting
(%)
215
98,5
220
97,0
225
95,5
230
94,0
235
92,5
240
91,0
Voor tussenliggende maximumsnelheden zijn lineaire interpolaties van de maximum belasting toegestaan.
2.36
"Verzoolonderneming", onderneming of groep ondernemingen die instaan voor het verzolen van luchtbanden;
2.37
"Verzolen", algmene term die duidt op het herstellen van een versleten luchtband door de vervanging van het versleten loopvlak door nieuw materiaal. Deze term kan ook de vernieuwing betekenen van de buitenkant van de zijwand en de vervanging van de onechte gordel of van de beschermlaag. Hij omvat de hierna vermelde procédés:
2.37.1
"Verzolen van het loopvlak", vernieuwen van het loopvlak;
2.37.2
"Verzolen van het loopvlak met overlapping", vernieuwing van het loopvlak zodanig dat het nieuwe materiaal ook een deel van de zijwand bedekt;
2.37.3
"Van hiel tot hiel", vernieuwing van het loopvlak en herstelling van de zijwand met inbegrip van de totale of gedeeltelijke hierlozne van de luchtband.
2.38
"Omslag", de versleten luchtband omvattende het karkas en hetgeen overblijft van het loopvlak en de zijwand;
2.39
"Slijpen", proces bestaande uit het wegnemen van het versleten materiaal van de omslag om het oppervlak, waarop het nieuwe materiaal moet aangebracht worden, hiervoor klaar te maken;
2.40
"Herstelling", herstelling van de beschadigde omslag binnen de overeengekomen grenzen;
2.41
"Materiaal voor loopvlak", materiaal onder aangepaste vorm bestemd voor de vervanging van het versleten loopvlak. Het kan bijvoorbeeld gaan om:
2.41.1
"Herstelstrip", voorgesneden lengte van materiaal dat geperst werd om het gewenste sectieprofiel te bekomen en dat vervolgens koud op de voorbereide omslag bevestigd wordt. Het nieuwe mateiraal moet gevulkaniseerd worden;
2.41.2
"Oprolrubber", band van materiaal voor loopvlak die rechtstreeks geperst en gerold wordt op de omslag, zodanig voorbereid tot men de gewenste profielomtrek bekomt. Het nieuwe mateiraal moet gevulkaniseerd worden;
2.41.3
"Directe persing", materiaal voor loopvlak geperst om het gewenste sectieprofiel te bekomen. Rechtstreeks geperst op de klaargemaakte omslag, moet het nieuwe materiaal gevulkaniseerd worden;
2.41.4
"Voorgevulkaniseerd", loopvlak vooraf bewerkt en gevulkaniseerd, rechtstreeks aangebracht op de voorbereide omslag. Het nieuwe materiaal moet verbonden worden met de omslag;
2.42
"Bekleding voor zijwand", materiaal gebruikt als hechtlaag tussen het nieuwe loopvlak en de omslag en voor kleinere herstellingen;
2.43
"Contactgom", materiaal gebruikt als hechtlaag tussen het nieuwe loopvlak en de omslag en voor kleinere herstellingen;
2.44
"Kleefmiddel", een klevende oplossing om de nieuwe materialen voor het vulkaniseringsproces op hun plaats te houden;
2.45
"Vulkanisering", term gebruikt om de wijziging van de fysische eigenschappen van het materiaal te beschrijven. Deze wijziging onstaat in het algemeen door het materiaal bloot te stellen aan de warmte en aan een bepaalde druk gedurende een gegeven periode onder gecontroleerde voorwaarden;
2.46
"Radiale excentriciteit", de variatie van de straal van de luchtband daar de meting uitgevoerd werd ronde de buitenomtrek van het loopvlak;
2.47
"Onbalans", meting van de variatie van de spreiding van de massa rond de centrale as van de luchtband. De gemeten onbalans kan "statisch" of "dynamisch" zijn.
3. OPSCHRIFTEN
3.1
In bijlage 3 bij dit Reglement vindt men een voorbeeld van schikking inzake de opschriften van een verzoolde luchtband;
3.2
Verzoolde luchtbanden moeten op de twee zijwanden, ingeval van symmetrische luchtbanden, en tenminste op de buitenste zijwand, ingeval van asymmetryische luchtbanden, volgende vermeldingen bevatten;
3.2.1
Fabrieksnaam of handelsmerk;
3.2.2
Maataanduidingen van de luchtband zolas bepaald in punt 2.21;
3.2.3
Het type van structuur, als volgt:
3.2.3
1 Op de luchtbanden met diagonale structuur, geen enkele aanduiding of de letter "D" voor de vermelding m.b.t. de diameter van de velg;
3.2.3
2 Op de luchtbanden met radiale structuur, de letter "R" voor de vermelding m.b.t. de diameter van de velg en eventueel de vermelding "RADIAL";
3.2.3
3 Op de diagonaal-gordel luchtbanden, de letter "B" voor de vermelding m.b.t. de diameter van de velg en bovendien de vermelding "BIAS-BELTED";
3.2.4
De dienstdoende omschrijving omvattende :
3.2.4
1 Opgave van het nominale draagvermogen van de luchtband onder de vorm van de belastingsindex beschreven in punt 2.33;
3.2.4
2 Opgave van de nominale snelheidscategorie van de luchtband onder de vorm van het symbool voorgeschreven in punt 2.34;
3.2.5
De vermelding "TUBELESS" indien de luchtband bestemd is om gebruikt te worden zonder binnenband;
3.2.6
De vermelding M+S of MS of M.S. of M & S ingeval van een winterband;
3.2.7
De datumvan het verzolen, als volgt :
3.2.7
1 Tot 31 december 1999; hetzij zoals voorgeschreven in punt 3.2.7.2, hetzij onder de vorm van een gorep van drie cijfers waarvan de eerste twee duiden op de week en het laatste op het jaartal van het decemnnium van fabricatie. De datumcode kan de fabricageperiode aanduiden door het weeknummer tot en met het nummer van de week plus drie.
Bijvoorbeeld de vermelding "253" duidt op een luchtband verzoold gedurende de 25°, 26°, 27° of 28° week van het jaar 1993.
De datumcode kan op slechts één enkele wang vermeld worden;
3.2.7
2 Vanaf 1 januari 2000 ; onder de vorm van een gorep van vier cijfers waarvan de eerste twee duiden op de week en de twee volgende op het jrartal van de herstelling van de luchtband. De datumcode kan de fabricageperiode aanduiden door het weeknummer tot en met het nummer van de week plus drie. bijvoorbeeld de vermelding "2503" duidt op een luchtband verzoold gedurende de 25°, 26°, 27° of 28° week van het jaar 2003.
De datumcode kan op slechts één enkele wang vermeld worden;
3.2.8
De vermelding "RETREAD" of "REMOULD" (vanaf 1 januari 1999 enkel de vermelding "RETREAD"). Op verzoek van de verzoolonderneming kan naast deze vermelding ook de vertaling ervan in een andere taal vermeld worden;
3.3
Voor hun goedkeuring is op de luchtbanden een voldoende grote plaats beschikbaar om het goedkeuringsmerkteken aan te brengen dat vermeld staat in punt 5.8 en opgegeven in bijlage 2 bij dit Reglement;
3.4
Na de goedkeuring worden de merktekens, vermeld in punt 5.8 en opgegeven in de bijlage 2 bij dit Reglement, aangebracht op de plaats bedoeld in punt 3.3; deze merktekens kunnen slechts op één enkele wang aangebracht worden;
3.5
De opschriften vermeld in punt 3.2 en het goedkeuringsmerkteken voorzien in de punten 3.4 en 5.8 moeten duidelijk leeslbaar zijn en in reliëf of diepliggend aangebracht worden op de luchtbanden of moeten permanent aanwezig zijn op de luchtband;
3.6
Indien na verzoold te zijn, de opschriften aangebracht door de fabrikant van de originele luchtband nog leesbaar zijn, zullen zij beschouwd worden als specificaties van de hersteller van toepassing op de verzoolde luchtband. Indien de origienle specificaties niet meer gelden voor de herstelde band, moeten zijn volledig verwijderd worden;
3.7
Het origenele "3" of "e" goedkeuringsmerkteken en -nummer moeten gewist worden.
4.

GOEDKEURINGSAANVRAAG.
De hierna vermelde procedurens zijn van toepassing op de goedkeuring van een onderneming voor het verzolen van luchtbanden:
4.1
De goedkeuringsaanvraag van een verzoolonderneming wordt ingediend hetzij door de houder van het gebrieks- of handelsmerk, hetzij door zijn behoorlijk geaccrediteerde vertegenwoordiger. Deze stipuleert :
4.1.1
De De structuur van de verzoolonderneming;
4.1.2
Een korte beschrijving van het kwaliteitscontrolesysteem dat waarborgt dat de gebruikte verzooltechnieken effectief beantwoorden aan de voorschriften van dit Reglement;
4.1.3
De handelsnamen of merken aan te brengen op de verzoolde luchtbanden;
4.1.4
De hierna vermelde inlichtingen m.b.t. het gamma te verzolen luchtbanden;
4.1.4
1 Het gamma afmetingen van de luchtbanden;
4.1.4
2 De structuur van de luchtbanden (diagonaal, diagonaal-gordel of radiaal);
4.1.4
3 De gebruikscategorie van de luchtbanden (normale of winterbanden, enz.);
4.1.4
4 Het verzoolsysteem en de toepassingsmethode van de nieuwe materialen volgens punten 2.37 en 2.41;
4.1.4
5 Het symbool van de maximale snelheidscategorie van de te verzolen luchtbanden;
4.1.4
6 Het macimale belastingsindex van de te verzolen luchtbanden;
4.1.4
7 De genoemde internatioanle norm voor luchtbanden waaraan het gamma luchtbanden beantwoordt.
5 GOEDKEURING
5.1
Om haar activiteiten uit te oefenen, moet de verzoolonderneming, conform de voorschriften van dit Reglement, de goedkeuring van de bevoegde overheid bekomen. De bevoegde overheid neemt de nodige maatregelen, beschreven in dit Reglement, om zich ervan te vergewissen dat in de betrokken onderneming het verzolen van luchtbanden conform de voorschriften van dit Reglement gebeurt. De verzoolondernemeing draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de gelijkvormigheid van de verzoolde luchtbanden met de voorschriften van dit Reglement en hun goede gedrag bij normaal gebruik.
5.2
Buiten de normale voorschriften voor de initiële evaluatie van de productie-eeneid voor het verzolen van luchtbanden, moet de bevoegde overheid zich ervan vergewissen dat de proceduren, de uitbating, de instructies en de documentatie over de specificaties m.b.t. de geleverde materialen opgesteld zijn in een gemakkelijk te begrijpen taal voor het personeel van de verzoolonderneming.
5.3
De bevoegde overheid verzekert zich ervan dat de uitbatingsproecedures en -handboeken van ieder verzoolonderneming voor de gebruikte materialen en procédés voor het verzolen van luchtbanden duidelijk opgeven welke de limiet van beschadiging of scheuren van de karkas is; is deze limiet overschreden dan wordt de luchtband beschouwd als onherstelbaar, ongeacht of de beschadiging reeds bestond of te wijten is aan de voorbereiding voor het verzolen.
5.4
Alvorens de goedkeuring te verlenen, moet de bevoegde overheid nagaan of de verzoolde luchtbanden conform dit Reglement zijn en of de in de punten6.7 en 6.8 voorgeschreven proeven met succes werden uitgevoerd op minstens vijf stalen (het is niet nodig dat er meer dan 20 zijn) verzoolde luchtbandne die representatief zijn voor het gamma luchtbanden gefabriceerd door de onderneming.
5.5
Voor iederer tekortkoming tijdens de proeven zullen twee bijkomende stalen van luchtbanden met dezelfde specificaties aan de test onderworpen worden. Indien één van deze stalen of de twee een tekortkoming vertonen, moeten de laatste twee stalen onderworpen worden aan de proeven. Indien één van deze laatste stalen of de twee een tekortkoming veronen, wordt de goedkeuringsaanvraag van de onderneming verworpen.
5.6
Indien aan alle voorschriften van dit Reglement voldaan wordt, wordt de goedkeuring verleend en een goedkeuringsnummer toegekend aan ieder erkende onderneming. De twee eerste cijfers duiden op de reeks amendementen m.b.t. de voornaamste en recentste technische aanwijzingen die op de uitreikingsdatum van de goedkeuring aangebracht werden aan het Reglement. Het nummer wordt voorafgegaan door de vermelding 108R; deze laatste betekent dat de goedkeuring geldt voor een luchtband verzoold conform de voorschriften van dit Reglement. Eenzelfde overheid mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een andere productie-onderneming bedoeld door dit Reglement.
5.7
De goedkeuring, of de uitbreiding, of de weigering, of de intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie volgens dit Reglement wordt meegedeeld aan de Partijen betrokken bij het Akkoord overeenkomstig het dit Reglement; dit gebeurd door middel van een fische conform het model in bijlage 1 bij dit Reglement.
5.8
Op ieder luchtband verzoold conform dit Reglement, wordt op de voorziene plaats, vermeld in punt 3.3, boven de in punt 3.2 voorschreven markeringen, een internationaal goedkeuringsmerkteken aangebracht dat als volgt samengesteld is :
5.8.1
Een cirkel met daarin de letter "E" gevolgd door het kengetal van het land dat de goedkeuring verleend heeft 7; en
5.8.2
Het goedkeuringsnummer bedoeld in punt 5.6
5.9
De bijlage 2 bij dit Reglement geeft een voorbeeld van goedkeuringsmerkteken.
7 1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor de Tsjechische Republiek, 9 voor Spanje, 10 voor Joegoslavië, 11 voor het Verengd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 (vrij), 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Russische Federqtie, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, 25 voor Kroatië, 26 voor Slovenië, 27 voor Slowakije, 28 voor Qit-Rusland, 29 voor Estland, 30 (vrij), 31 voor Bosnië-Herzegovina, 32 voor Letland, 33 (vrij), 34 voor Bulgarije, 35 en 36 (vrij), 37 voor Turkije, 38 en 39 (vrij), 40 voor de ex-Jougoslavische republiek Macedonië, 41 (vrij), 42 voor de Europese Gemeenschap (de goedkeuringen worden toegekend door de Lidstaten die hun eigen ECE-symbool), 43 voor Japan, 44 (vrij), 45 voor Australië en 46 voor Okraïene.
De volgende nummers zullen toegekend worden aan de andere landen, in chronologische volgorde van ratificatie van de Overeenkomst m.b.t. de invoering van de eenvormige technische voorschriften toepasbaar op de voertuigen uitgerust met wielen, de uitrustingen den de onderdelen die gemonteerd of gebruikt kunnen worden op voertuigen uitgerust met wielen en de wederzijdse goedkeuringsvoorwaarden van de goedkeuringen uitgereikt conform deze voorschriften, of van hun aansluiting bij deze Overeenkomst en de toegekende codenummers zullen meegedeeld worden door de Secretaris generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties aan de Verdragspartijen van deze Overeenkomst.
6 VOORSCHRIFTEN
6.1
De luchtbanden worden niet aanvaard voor verzoling indien ze niet van een goedgekeurd type zijn en de markering "E" of "e" niet dragen, maar tot ten laatste 1 januari 2000 is dit voorschrift niet dwingend.
6.2
De luchtbanden die reeds voorzien werden van een nieuw loopvlak mogen niet opnieuw verzoold worden.
6.3
De toegelaten ouderdom van de omslag voor het verzolen mag zeven (7) jaar niet overschrijden, dit op grond van de cijfers van de gabricagedatum van de originele luchtband; een luchtban die bijvoorbeeld het merkteken "253" draagt, mag verzoold worden tot einde 2000.
6.4
Voorwaarden waaraan voor het verzolen dient voldaan te worden:
6.4.1
Voor het slijpen, moet de luchtband proper en droog zijn.
6.4.2
Voor het slijpen, moet iedere luchtband zowel aan de binnenkant als de buitenkant zorgvuldig nagezien worden om er zeker van te zijn dat hij kan verzoold worden.
6.4.3
De luchtbanden die merkbaar beschadigd zijn door overlast of te lage bandenspanning, mogen niet verzoold worden.
6.4.4
De luchtbanden die een of andere van de hierna vermelde tekortkomingen vertonen zullen niet toegelaten worden voor verzolen :
6.4.4
1
  1. ernstige barstjes die tot op het karkas gaan;
  2. het doordringen van het karkas of beschadigingen aan de omslag, buiten de snelheidscategorieën "H", behalve indien deze omslag bestemd isvoor een lagere snelheidscategorie;
  3. vroegere herstellingen van beschadigingen die de vermelde grenzen ingeval van schade overschrijden - zie punt 5.3;
  4. karkasbreuk;
  5. ernstige aantasing door koolwaterstof of chemische producten;
  6. meerdere, te dicht bij elkaar liggende beschadigingen;
  7. beschadigde of gebroken hiel;
  8. onherstelbare beschadiging van de binnebekleding;
  9. beschadigingen aan de hiel, andere dan de secundaire beschadigingen van enkel het "rubber";
  10. koorden van het karkas ontbloot omwille van slijtage van het loopvlak of de wangen;
  11. onherstelbaar loopvlak of het materiaal op de wangen dat loskomt van het karkas;
  12. structurele schade in de omgeving van de wangen.
6.4.5
Radiaal luchtbanden waarva het karkas en de gordel zich scheiden - en dit meer voorstelt dan het gewoon zijdelings loskomen - zullen niet toegelaten worden voor verzoling.
6.5
Voorbereiding
6.5.1
Na het slijpen en voor het toepassen van het nieuwe materiaal, moet iedere luchtband opnieuw zorgvuldig geïnspecteerd worden, tenminste lang de buitekant, om na te gaan of hij nog in voldoende goede staat is om verzoold te worden.
6.5.2
De totaliteit van het te verzolen oppervlak moet zonder oververwarming voorbereid zijn en mag geen barstjes of vramen vertonen die te wijten zijn aan het slijpen.
6.5.3
Indien het te gebruiken materiaal voorgevulkanieseerd werd, dienen de randen van de voorberiede zone overeen te stemmen met de voorschriften van de fabrikant van het materiaal.
6.5.4
Losgekomen koorden zijn nniet toegelaten.
6.5.5
De koorden van de omslag mogen niet beschadigd worden tijdens de voorbereidende handelingen.
6.5.6
Indien de gordel van een luchtband met radiaal karkas beschadigd is door het slijpen, mag de beschadiging niet verder gaan dan de buitenlaag van het karkas.
6.5.7
Ingeval van beschadiging aan luchtbanden met diagonaal karkas, veroorzaakt door het slijpen, dienen volgende voorwaarden gerespecteerd te worden:
6.6.8.1
Voor luchtbanden mt radiaal structuur en diagonaal-gordel luchtbanden (in mm):
1,5 ≤ (A+B) ≤ 5 (1,5 mm min.; 5,0 mm max.)
A ≥ 1 (1,0 mm min.)
B ≥ 0,5 (0,5 mm min.)

P.D. = Diepte van het profiel
X = Slijplijn
A = Gemiddelde dikte van het nieuwe materiaal onder het profiel
B = Minimum dikte van de laag oorspronkelijk materiaal boven de gordel, na het slijpen.


— 03.04.2003 — BELGISCH STAATSBLAD