Voorschriften voor inrichtingen voor indirect zicht
HOOFDSTUK 1
1. DEFINITIES
1.1 Onder « inrichting voor indirect zicht » wordt verstaan een inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen.
Dit kan een gewone spiegel zijn, een camera-monitor, of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft.
1.1.1 Onder « spiegel » wordt verstaan een inrichting die tot doel heeft om binnen de in punt 5 van hoofdstuk III voorgeschreven gezichtsvelden een duidelijk zicht aan de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het voertuig te verschaffen, met uitzondering van inrichtingen zoals periscopen.
1.1.1.1 Onder « binnenspiegel » wordt verstaan een inrichting als omschreven in punt 1.1 die in de binnenruimte van een voertuig kan worden gemonteerd.
1.1.1.2 Onder « buitenspiegel » wordt verstaan een inrichting als omschreven in punt 1.1 die op een gedeelte van het buitenoppervlak van een voertuig kan worden gemonteerd.
1.1.1.3 Onder « hulpspiegel » wordt verstaan een andere dan de in punt 1.1.1 omschreven spiegel, die bestemd is om in de binnenruimte of op het buitenoppervlak van een voertuig te worden gemonteerd en die andere dan de in punt 5 van hoofdstuk III voorgeschreven gezichtsvelden moet verschaffen.
1.1.1.4. Onder « r » wordt verstaan het gemiddelde van de kromtestralen gemeten over het spiegeloppervlak volgens de in punt 2 van aanhangsel 1 van hoofdstuk II beschreven methode.
1.1.1.5. Onder « hoofdkromtestralen op een punt van het spiegeloppervlak (ri) » worden de met behulp van de in aanhangsel 1 van hoofdstuk II beschreven apparatuur verkregen waarden verstaan, gemeten op de boog van het spiegeloppervlak, gaande door het midden van dit oppervlak en evenwijdig aan lijnstuk b, zoals omschreven in punt 2.2.1 van hoofdstuk II en op de boog loodrecht op dit lijnstuk.
1.1.1.6 Onder « kromtestraal op een punt van het spiegeloppervlak (rp) » wordt verstaan het rekenkundig gemiddelde van de hoofdkromtestralen ri en ri , namelijk :![]()
1.1.1.7. Onder « sferisch oppervlak » wordt verstaan een oppervlak dat in alle richtingen een constante en gelijke straal heeft.
1.1.1.8. Onder « asferisch oppervlak » wordt verstaan een oppervlak dat slechts in een vlak een constante straal heeft.
1.1.1.9 Onder « asferische spiegel » wordt verstaan een spiegel bestaande uit een sferisch en een asferisch deel, waarbij de overgang van het spiegeloppervlak van het sferische in het asferische deel moet worden aangegeven. De kromming van de hoofdas van de spiegel wordt als volgt gedefinieerd in het x/y-coördinatensysteem van het sferische primaire segment :
![]()
R : nominale straal in het sferische deel
k : constante voor de verandering van de kromming
a : constante voor de sferische omvang van het sferische primaire segment
1.1.1.10 Onder « midden van het spiegeloppervlak » wordt verstaan het midden van het zichtbare gebied van het spiegeloppervlak.
1.1.1.11 Onder « afrondingsstraal van de samenstellende delen van de spiegel » wordt verstaan de straal « c » van de cirkelboog die het meest overeenkomt met de afgeronde vorm van het betrokken deel.
1.1.1.12 Onder « oogpunten van de bestuurder » worden twee 65 mm van elkaar liggende punten verstaan die zich 635 mm verticaal boven het punt R van de bestuurderszitplaats bevinden, zoals omschreven in aanhangsel 4 van dit hoofdstuk. De rechte lijn door deze punten staat loodrecht op het verticale vlak door de lengteas van het voertuig. Het midden van het lijnstuk dat de oogpunten verbindt, ligt in het verticale vlak in de lengterichting door het midden van de door de fabrikant aangegeven bestuurderszitplaats.
1.1.1.13 Onder « ambinoculair gezichtsveld » wordt verstaan het totale gezichtsveld dat wordt verkregen door overlapping van de monoculaire gezichtsvelden van het linker- en rechteroog (zie de onderstaande figuur 1).

Fig. 1 ambinoculair gezichtsveld
E = binnenspiegel
OD = ogen van de bestuurder
OE = ogen van de bestuurder
ID = virtuele monoculaire beelden
IE = virtuele monoculaire beelden
I = virtueel ambinoculair beeld
A = gezichtshoek linkeroog
B = gezichtshoek rechterhoek
C = Binoculaire gezichtshoek
D = ambinoculaire gezichtshoek
1.1.1.14 Onder « klasse spiegel » worden alle voorzieningen verstaan die een of meer kenmerken of functies gemeen hebben. Zij worden als volgt ingedeeld :
1.1.2.1 Onder « camera » wordt verstaan een toestel dat door een lens een beeld van de buitenwereld op een lichtgevoelige elektronische detector weergeeft en dit beeld vervolgens in een genormaliseerd videosignaal omzet.
1.1.2.2. Onder « beeldscherm » wordt verstaan een toestel dat een genormaliseerd videosignaal omzet in beelden, die in het zichtbare spectrum worden weergegeven.
1.1.2.3 Onder « waarneming » wordt verstaan het vermogen op een bepaalde afstand een object van de achtergrond of omgeving ervan te onderscheiden.
1.1.2.4 Onder « luminantiecontrast » wordt verstaan het verschil in helderheid tussen een object en de directe achtergrond of omgeving ervan, waardoor het object van de achtergrond of omgeving kan worden onderscheiden.
1.1.2.5 Onder « scheidend vermogen » wordt verstaan het kleinste detail dat met een waarnemingssysteem kan worden onderscheiden, dat wil zeggen afzonderlijk van een groter geheel kan worden waargenomen. Het scheidend vermogen van het menselijk oog wordt omschreven als « gezichtsscherpte ».
1.1.2.6 Onder « kritisch object » wordt verstaan een rond object met een diameter D0 = 0,8 m (1)
1.1.2.7 Onder « kritische waarneming » wordt verstaan het waarnemingsniveau dat het menselijk oog onder uiteenlopende omstandigheden over het algemeen bereikt. In het verkeer bedraagt de grenswaarde voor kritische waarneming 8 boogminuten van de gezichtshoek.
1.1.2.8 Onder « gezichtsveld » wordt verstaan het deel van de driedimensionale ruimte waarin een kritisch object door het systeem voor indirect zicht zodanig kan worden waargenomen dat het kan worden weergegeven. Dit is gebaseerd op het zicht op grondniveau dat een systeem biedt en kan mogelijk worden beperkt op basis van de toepasselijke maximale waarnemingsafstand van het systeem.
1.1.2.9 Onder « waarnemingsafstand » wordt verstaan de op grondniveau gemeten afstand van de projectie van het oogreferentiepunt tot het uiterste punt waarop een kritisch object nog juist kan worden waargenomen (net binnen de grenswaarde voor kritische waarneming).
1.1.2.10 Onder « kritisch gezichtsveld » wordt verstaan het gebied waarin een kritisch object door een systeem voor indirect zicht moet worden waargenomen en dat wordt gedefinieerd door een hoek en een of meer waarnemingsafstanden.
1.1.2.11 Onder « oogreferentiepunt » wordt verstaan het punt ten opzichte van het voertuig waaraan het voorgeschreven gezichtsveld is gerelateerd. Dit is een punt op grondniveau dat is gedefinieerd als het snijpunt van de projectie van de lijn door de oogpunten van de bestuurder en een 20 cm buiten het voertuig aan de passagierszijde lopende lijn evenwijdig aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig.
1.1.2.12 Onder « zichtbaar spectrum » wordt verstaan het licht waarvan de golflengte binnen de voor het menselijk oog waarneembare grenzen valt : 380-780 nm.
(1) Een systeem voor indirect zicht is bedoeld om relevante verkeersdeelnemers waar te nemen. De relevantie van een verkeersdeelnemer is afhankelijk van zijn of haar positie en (mogelijke) snelheid. Van de reeks voetganger, fietser, bromfietser is de omvang min of meer evenredig met de snelheid. Wat de waarneming betreft is een bromfietser (D = 0,8) op 40 m afstand gelijk aan een voetganger (D = 0,5) op 25 m afstand. Vanwege de snelheid wordt een bromfietser als criterium voor de waarnemingsomvang genomen; daarom wordt een object met een omvang van 0,8 m gebruikt om de waarnemingsprestaties vast te stellen.
1.1.3 Onder « andere inrichting voor indirect zicht » wordt verstaan een inrichting als omschreven in punt 1.1 waarbij het gezichtsveld niet door middel van een spiegel voor indirect zicht of een camera-beeldscherminrichting voor indirect zicht wordt verkregen.
1.2 Onder « voertuigen van de categoriee¨n M1, M2, M3, N1, N2, N3 » worden de voertuigen verstaan zoals omschreven in bijlage II, deel A, van Richtlijn 70/156/EEG.
1.2.1 Onder « type voertuig wat het indirect zicht betreft » worden motorvoertuigen verstaan die, wat onderstaande essentiële kenmerken betreft, onderling geen verschillen vertonen :
2. AANVRAAG VOOR ONDERDEELTYPEGOEDKEURING VAN EEN INRICHTING VOOR INDIRECT ZICHT
2.1 Aanvragen voor alle typen inrichtingen voor indirect zicht gaan vergezeld van :
3. OPSCHRIFTEN
Op de exemplaren van een type spiegel of inrichting voor indirect zicht, andere dan spiegels, die voor onderdeeltypegoedkeuring worden aangeboden moet duidelijk en onuitwisbaar het fabrieks- of handelsmerk van de aanvrager zijn aangebracht en moet voldoende plaats zijn voor het onderdeeltypegoedkeuringsmerk; deze plaats moet op de in aanhangsel 1 van dit hoofdstuk genoemde tekeningen worden aangegeven.
4. AANVRAAG VOOR ONDERDEELTYPEGOEDKEURING VOOR EEN VOERTUIG MET BETREKKING TOT DE MONTAGE VAN INRICHTINGEN VOOR INDIRECT ZICHT
4.1 Aanvragen voor alle typen voertuigen gaan vergezeld van :
4.1.1 een inlichtingenformulier zoals bepaald in aanhangsel 2 bij dit hoofdstuk.
4.1.2 een voor het type representatief voertuig, dat zo nodig wordt gekozen in overleg met de technische afdeling die voor de uitvoering van de test verantwoordelijk is.
5. MARKERING
5.1 Alle inrichtingen voor indirect zicht die overeenkomen met een type waarvoor krachtens dit koninklijk besluit een onderdeeltypegoedkeuring is verleend, moeten van een onderdeeltypegoed-keuringsmerk zijn voorzien, zoals bepaald in aanhangsel 3.
6. OVEREENSTEMMING VAN PRODUCTIE (VOERTUIGEN EN ONDERDELEN)
6.1 De maatregelen met het oog op het garanderen van de overeenstemming van productie, worden genomen overeenkomstig artikel 10, van Richtlijn 70/156/EEG.
Inlichtingenformulier met betrekking tot typegoedkeuring voor een inrichting voor indirect zicht
Onderstaande informatie moet, indien van toepassing, in drievoud worden meegedeeld en een inhoudsopgave bevatten. Alle tekeningen moeten op een passende schaal gemaakt zijn, voldoende gedetailleerd zijn en worden op A4-formaat in een map van A4-formaat ingediend. Eventuele fotos moeten voldoende gedetailleerd zijn.
0. ALGEMEEN
0.1 Merk (handelsnaam van de fabrikant) : ..............................................................................................
0.2 Type : .......................................................
0.3 Identificatiewijze van het type, indien op de inrichting vermeld : ............................................................
0.4 Voertuigcategorie waarvoor de inrichting bestemd is : ..........................................................................
0.5 Naam en adres van de fabrikant : .....
0.7 Plaats en wijze waarop het typegoedkeuringsmerk aangebracht is : ........................................................
0.8 Adres(sen) van (het) (de) productiecentr(um)(a) ................................................................................
1. INRICHTING VOOR INDIRECT ZICHT
1.1 Spiegels (te vermelden voor elke spiegel)
1.1.3 Variant : ................................................
1.1.4 Tekening(en) ter identificatie van de spiegel : .................................................................................
1.1.5 Gegevens over de wijze van bevestiging : ......................................................................................
1.2 Andere inrichtingen voor indirect zicht dan spiegels
1.2.1 Type en kenmerken (bijvoorbeeld een volledige beschrijving van de inrichting) : ....................................
1.2.1.1 In geval van een camera-monitorinrichting : de waarnemingsafstand (mm), het contrast, het luminantie-bereik, de correctie voor invallend licht, de beeldschermprestaties (zwart-wit/kleur), de beeldvernieuwingsfrequentie en het luminantiebereik van het beeldscherm) ..................................................
1.2.2 Voldoende gedetailleerde tekeningen die een overzicht geven van de volledige inrichting, met inbegrip van
de montagevoorschriften; op de tekeningen moet de plaats voor het typegoedkeuringsmerk zijn aangegeven : ...........
Inlichtingenformulier met betrekking tot typegoedkeuring voor een voertuig
Onderstaande informatie moet, indien van toepassing, in drievoud worden meegedeeld en een inhoudsopgave bevatten. Alle tekeningen moeten op een passende schaal gemaakt zijn, voldoende gedetailleerd zijn en worden op A4-formaat in een map van A4-formaat ingediend. Eventuele fotos moeten voldoende gedetailleerd zijn.
0. ALGEMEEN
0.1 Merk (handelsnaam van de fabrikant) : ..............................................................................................
0.2 Type : .......................................................
0.2.1 Handelsbenaming (indien van toepassing) : ......................................................................................
0.3 Identificatiewijze van het type, indien op het voertuig vermeld : ............................................................
0.3.1 Plaats waar dit is aangegeven : .......
0.4 Voertuigcategorie (1) .............................
0.5 Naam en adres van de fabrikant : .....
0.8 Adres(sen) van (het) (de) productiecentr(um)(a) : ..............................................................................
1. ALGEMENE KENMERKEN IN VERBAND MET DE BOUW VAN HET VOERTUIG
1.1 Fotos en/of tekeningen van een representatief voertuig : ....................................................................
1.7 Bestuurderscabine (frontstuurcabine of torpedofront) (2) .....................................................................
1.8 Kant van het stuur : links/rechts (2) .
1.8.1 Het voertuig is uitgerust om te worden gebruikt in rechts-/linksrijdend verkeer (2) ..................................
2.4 Bereik van de afmetingen van het voertuig (buitenmaten) : ..................................................................
2.4.1 Chassis zonder carrosserie : ......................
2.4.1.2 Breedte (3) : ......................................
2.4.1.2.1 Maximaal toelaatbare breedte : ...........
2.4.1.2.2 Minimaal toelaatbare breedte : ...........
2.4.2 Chassis met carrosserie : ...................
2.4.2.2 Breedte (3) : ......................................
9. CARROSSERIE
9.9 Inrichtingen voor indirect zicht
9.9.1 Spiegels
9.9.1.4 Tekening(en) waarop de stand van de spiegel ten opzichte van de structuur van het voertuig zichtbaar is : ..............................................................
9.9.1.5 Gegevens over de bevestigingswijze, met inbegrip van het deel van de structuur van de voertuigcarrosserie waarop de spiegel bevestigd is : ..................................................................................
9.9.1.6 Opties die het gezichtsveld naar achteren kunnen beïnvloeden : ........................................................
9.9.1.7 Korte beschrijving van de (eventuele) elektronische onderdelen van het verstelsysteem
9.9.2 Andere inrichtingen voor indirect zicht dan spiegels : .........................................................................
9.9.2.2 Voldoende gedetailleerde tekeningen, met inbegrip van de montagevoorschriften : ..............................
Onderdeeltypegoedkeuringsmerk
1. Het onderdeeltypegoedkeuringsmerk bestaat uit een rechthoek met daarin een hoofdletter « B ». Ook omvat dit merk het onderdeeltypegoedkeuringsnummer, dat in de nabijheid van de rechthoek moet zijn aangebracht. Dit nummer wordt gevormd door het onderdeeltypegoedkeuringsnummer dat voorkomt op het voor het type ingevulde goedkeuringsformulier, voorafgegaan door 43*.
2. Het onderdeeltypegoedkeuringsmerk wordt aangevuld met het symbool I, II, III, IV, V of VI ter specificatie van
de klasse van de spiegel, of met het symbool S indien het een aanvullend systeem voor indirect zicht betreft. Dit
aanvullende symbool moet worden aangebracht op een geschikte plaats in de nabijheid van de rechthoek waarin de
letter « B » is geplaatst.
3.Het onderdeeltypegoedkeuringsmerk en het aanvullende symbool moeten onuitwisbaar of door middel van een
zelfvernietigende sticker op een hoofdbestanddeel van de spiegel of van het aanvullende systeem voor indirect zicht
worden aangebracht en moeten ook duidelijk zichtbaar zijn wanneer de spiegel of het aanvullende systeem voor
indirect zicht op het voertuig is gemonteerd.
4.Hieronder zijn drie voorbeelden gegeven van onderdeeltypegoedkeuringsmerken met het aanvullende symbool.
Voorbeelden van onderdeeltypegoedkeuringsmerken met het aanvullende symbool
De spiegel met bovenstaande onderdeeltypegoedkeuringsmerk behoort tot klasse V (buitenspiegels, zogenoemde trottoirspiegels) en is goedgekeurd onder nummer 43*39

a &179; 6 mm (>=) De spiegel met bovenstaande onderdeeltypegoedkeuringsmerk behoort tot klasse IV (buitenspiegels, zogenoemde breedtespiegels) en is goedgekeurd onder nummer 43*1248

a &179; 6 mm (>=) De inrichting voor indirect zich met bovenstaand onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een inrichting voor indirect zicht (S), andere dan een spiegel en is goedgekeurd onder nummer 43*3002

METHODE VOOR DE BEPALING VAN PUNT H EN VERIFICATIE VAN DE PUNTEN R EN H TEN OPZICHTE VAN ELKAAR
De desbetreffende gedeelten van bijlage III bij Richtlijn 77/649/EEG zijn van toepassing.
|
|||||
|
|
|