|
![]() |
ART 32 MAXIMALE TOEGELATEN MASSA'S en MASSA'S ONDER DE ASSEN van de voertuigen waarvan de aanvraag om goedkeuring of om erkenning als materieel van SPECIALE CONSTRUCTIE van voor 1 JANUARI 1986 dagtekent.
§1.
1° De maximale toegelaten massa mag niet groter zijn dan:
a) voor een tweeassige auto :19 ton;
b) voor een tweeassige aanhangwagen, opleggers uitgezonderd: 20 ton;
c) voor een drie- of meerassig voertuig, opleggers uitgezonderd: 26 ton;
d) voor een oplegger met een achteras: 21 ton;
e) voor een oplegger met twee achterassen en meer: 32 ton.
2° De massa van een geleed voertuig in beladen toestand mag niet groter zijn dan de maximale toegelaten massa van de oplegger vermeerderd met de eigen massa van het trekkend voertuig, met een maximum van 38 ton.
3° De massa van de andere slepen in beladen toestand is beperkt tot 40 ton.
4° (Opgeheven)] (K.B. 11.8.76, art. 11)
5° Voor de voertuigen uitgerust met een vertragingsinrichting worden de voormelde massa's, binnen de perken van ten hoogste 500 kg, vermeerderd met de massa van de vertragingsinrichting.
6° Voor de opleggers in "kangourou" uitvoering, worden de voormelde massa's binnen de perken van ten hoogste 500 kg, vermeerderd met de massa van de speciale koppelingspen, van de geleiders tussen de wielen en van de extra dwarsliggers.
7° Op aanvraag van de constructeurs kunnen de maximale massa's vermeld in 1°, e - 2° en 3°, tot respectievelijk 37.000 kg, 44.000 kg en 44.000 kg verhoogd worden voor de voertuigen in gebruik genomen tussen 1 januari 1980 en 30 juni 1985 en die voldoen aan de voorschriften van richtlijn 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorien motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, zoals gewijzigd door de richtlijn 75/524/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1975.
In dit geval zijn de voertuigen onderworpen aan artikel 7 §3bis.
§2. Bovendien mogen de hierna opgegeven maxima niet worden overschreden:
1° per luchtband: 5 ton;
2° per as: 13 ton.
Deze massa wordt omschreven als zijnde de door al de wielen op het rijvlak uitgeoefende totale druk, waarvan het middelpunt gelegen is in een en dezelfde verticale dwarsdoorsnede over de hele breedte van het voertuig;
3°
§3.
Voor elk voertuig of elke sleep mag de hoogste toegelaten massa niet hoger liggen dan het aantal ton dat gevonden wordt met behulp van de formule 13 + 4A, waarin A de in meter uitgedrukte afstand hart op hart van de twee uiterste assen is. Wanneer echter een uiterste as deel uitmaakt van een meervoudige ascontructie, verstaat men onder het hart van de as het midden van de meervoudige asconstructie.
Voor de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf op de opleggers wordt de koppelingspen voor een as gerekend.
§4.
1° Onverminderd de voornoemde bepalingen mag, wanneer bij een meervoudige asconstructie een as wordt opgeheven tot een hoogte van 6 cm boven het niveau waarop de andere as zich bevindt, voor geen van hen, de op grond overgedragen massa het gedeelte van de hoogste massa op de grond onder de assengroep, dat door elk van hen wordt uitgeoefend, met meer dan 25 pct overschrijden.
2° Een meervoudige asconstructie moet zodanig zijn uitgevoerd, dat onder de ongunstige belastingsomstandigheden geen der assen in ernstige mate wordt overbelast.
3° Een schommelasconstructie moet zodanig gebouwd zijn, dat de as tijdens het rijden zich over geen grotere hoek dan 25° van uit de horizontale stand kan instellen.
§5.
De hoogste toegelaten massa van de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2 §2, 8° en 9° mag niet meer dan 8 ton bedragen.
|
|||||
|
|
|