|
|
![]() |
ART 1 BEGRIPSOMSCHRIJVING.
§1. Classificatie volgens de internationale voertuigcategorieen :
motorvoertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van meer dan 5 ton. (gewijzigd 1 mei 2003)2. Categorie N: Voor het vervoer van goederen bestemde motorvoertuigen op ten minste vier wielen, alsmede dergelijke voertuigen op drie wielen met een maximale massa van meer dan 1 ton.
Categorie N2: Voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximale massa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 12 ton.
Categorie N3: Voor het vervoer van goederen bestemde voertuigen met een maximale massa van meer dan 12 ton
Categorie O1: Aanhangwagens met een maximale massa van ten hoogste 0,75 ton.
Categorie 02: Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 0,75 ton, doch niet meer dan 3,5 ton.
Categorie 03: Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 10 ton.
Categorie 04: Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 10 ton.
4. Terreinvoertuigen (symbool G): (invoege 1 mei 2003)
§2. Classificatie volgens de nationale voertuigcategorieën en andere definities:
Voor de toepassing van het bepaalde in dit algemeen reglement wordt verstaan onder:
2. personenauto, elke auto waarvan de binnenruimte uitsluitend is opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en die, bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder;
3. auto voor dubbelgebruik, elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die, bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder;
4. minibus, elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen, die bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder, en die voorzien is van een carrosserie van hetzelfde type als dat van lichte vrachtauto's of autobussen;
5. lichte vrachtauto, elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt;
6. vrachtauto, elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de hoogste toegelaten massa 3.500 kg overschrijdt;
7. tractor, elke auto opgevat en gebouwd voor het trekken van een oplegger;
8. autobus of autocar, elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen, die noch een personenauto, noch een auto voor dubbel gebruik, noch een minibus is.
9. voertuig met vouwbalg, elke voertuigensleep bestemd voor het vervoer van personen die uit twee elementen bestaat en een plooibare gang omvat ter gelijkvloerse verbinding tussen de ruimten bestemd voor de vervoerde personen.
De beide elementen van het voertuig kunnen slechts in een werkplaats van elkaar gekoppeld worden;
10. kampeerwagen is een voertuig van categorie M voor speciale doeleinden waarvan de constructie woonaccommodatie omvat die ten minste bestaat uit de volgende uitrustingen :
11. Lijkauto, elke auto ingericht voor het vervoer van overledenen en uitsluitend voor dit doel gebruikt;
12. Ambulance is een motorvoertuig van categorie M dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en daartoe een speciale uitrusting heeft.
Voertuigen voor dringende medische hulpverlening speciaal uitgerust om een medische ploeg en hun materiaal op de plaats van een ongeval te brengen worden eveneens beschouwd als ambulance. (gewijzigd 1 mei 2003)
12bis. gepantserd voertuig is een voertuig bestemd voor de bescherming van te vervoeren passagiers en/of goederen en dat voldoet aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering. (invoege 1 mei 2003)
13. kraanauto, elk voertuig gebouwd als of definitief omgebouwd tot kraan en uitsluitend als dusdanig aangewend. Door definitief omgebouwd, verstaat men het plaatsen, op een chassiscabine, van een kraan met dergelijke afmetingen dat er geen laadvlak meer beschikbaar is;
14. aanhangwagen, elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen;
15. voertuig voor traag vervoer:
15.1. elke auto die, wegens bouw en oorsprong, een nominale maximumsnelheid van ten hoogste 40 km/u kan bereiken. Elke verbouwing die voor gevolg heeft dat deze maximumsnelheid kan worden overschreden, ontneemt aan dergelijk voertuig zijn hoedanigheid van voertuig voor traag vervoer.
15.2. elke landbouw- of bosbouwtrekker,
15.3. elke aanhangwagen die uitsluitend wordt getrokken door de in punten 15.1 en 15.2 bedoelde voertuigen.
16. Landbouw- of bosbouwtrekker, elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan ingericht zijn voor het vervoer van een lading en van bijrijders.
Deze omschrijving geldt slechts voor trekkers gemonteerd op luchtbanden, met twee assen en met een door constructie bepaalde nominale maximumsnelheid begrepen tussen 6 en 40 km/u + 4 km/h.
Voor de voertuigen reeds in het verkeer op de datum van het in werking treden van dit besluit, mag de maximumsnelheid op nagenoeg horizontale wegen, door constructie en oorsprong, hetzij 25 + 5 km/u., hetzij 30 + 3 km/u. zijn.
17. oplegger, elke aanhangwagen zonder vooras, waarvan het voorste gedeelte steunt op het trekkend voertuig door middel van een specifiek dragende koppeling of waarvan de maximale massa op het steunpunt, gedragen door het trekkend voertuig, 2.000 kg overschrijdt, zo het een aanhangwagen betreft getrokken door een voertuig bedoeld in punt 7 hiervoor, of 1.000 kg voor de andere aanhangwagens;
18. éénassige aanhangwagen, elke aanhangwagen, met uitsluiting van opleggers die:
19. voertuig van speciale constructie, elk vervoermiddel dat, wegens constructie of definitieve verbouwing voornamelijk bestemd is om als werktuig gebezigd te worden, met een laadvermogen dat bijna nul bedraagt t.o.v. zijn eigen massa. Deze categorie omvat landbouwvoertuigen en bedrijfsvoertuigen en omvat twee snelheidscategorieen:
Voor wat de inschrijving van de voertuigen betreft, dekt het begrip "voertuig van speciale constructie" inzonderheid: het zelfrijdend bedrijfsmaterieel, het zelfrijdend landbouwmaterieel, de maaimachines en de werktuigaanhangwagens;
20. Landbouwmotor, elk landbouwmotorvoertuig voor verschillend gebruik dat slechts één as bezit en dat bestuurd wordt door middel van armen door een bestuurder die normaal te voet is; sommige landbouwmotors kunnen uitgerust worden met een aanhangwagen of een getrokken landbouwwerktuig voorzien van een zitplaats;
21. voertuig, elk vervoermiddel als hierboven genoemd;
22. sleep, elke groep voertuigen die aan elkander gekoppeld zijn met het doel door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen . Wanneer een sleep uit een trekkend voertuig en een oplegger bestaat, wordt hij geleed voertuig genaamd;
23. takelauto, elk voertuig dat bij normaal gebruik bestemd is voor het ontruimen van de openbare weg door het wegvoeren of het takelen van bij ongeval beschadigde of defecte voertuigen.
Een voertuig dat enkel bij gelegenheid met dit doel wordt aangewend kan niet als takelauto beschouwd worden.
Nochtans mag een laadvlak aanwezig zijn op voorwaarde dat het voertuig ten minste uitgerust is met een vaste windas en twee al dan niet vaste laadbruggen;
24. chassis of zelfdragende voertuigen, de chassis die een raam omvatten, bestaande uit langsliggers, dwarsliggers en mechanische elementen, en de complete voertuigen, om het even of zij al dan niet een in de stijfheid van het geheel tussenkomend chassis bevatten;
25. afneembaar koetswerk, elk vervoermiddel dat gemakkelijk op een voertuig voor vervoer gemonteerd en gedemonteerd kan worden en daadwerkelijk dienst doet als koetswerk;
26. technisch toelaatbare massa, de maximale totale massa van het voertuig, bepaald in functie van de weerstand van het chassis en van de andere organen van het voertuig;
26bis. de term "maximale toegelaten sleepbare massa" staat voor de maximale massa van een aanhangwagen die technisch door een motorvoertuig kan getrokken worden, eventueel beperkt op grond van de voorschriften van dit besluit.
27. maximale toegelaten massa (M.T.M.), de technisch toelaatbare massa, eventueel beperkt ingevolge de bepalingen van artikel 32 van dit besluit;
28. eigen massa, de massa van het rijklare voertuig met carrosserie, uitrusting en toebehoren, dat brandstof, water en smeerolie ingenomen heeft, echter zonder inbegrip van de vervoerde personen of goederen.
Voor de kampeerauto's omvat de tarra de massa van het bedrijfsklare voertuig met inbegrip van de binneninrichting. De vloeistoffen gastanks voor huishoudelijk gebruik moeten gevuld zijn;
29. Laadvermogen, de op het voertuig toegelaten lading, bepaald met inachtneming van de maximale toegelaten massa, de eigen massa op de grond onder ieder van de assen of, voor sommige aanhangwagens op het steunpunt, en desgevallend van de minimale massa op de grond onder de vooras;
30. massa in beladen toestand, het geheel van de eigen massa van het voertuig en van de massa van zijn lading, van de bestuurder en van elke andere vervoerde persoon;
31. met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer, de vervoer diensten voorzien bij artikel 2, tweede lid ,1° en 2°, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en bij artikel 1 van de wet van 26 april 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen;
32.
Het bedieningsorgaan is het orgaan dat rechtstreeks wordt bediend om aan de removerbrenging de energie de bezorgen die vereist is om deze te remmen. Die energie kan hetzij de spierkracht van de bestuurder, hetzij een andere door de bestuurder beheerste krachtbron, hetzij, eventueel, de kinetische energie van een aanhangwagen, hetzij een combinatie van deze verschillende soorten energie zijn.
De overbrenging is het geheel van de organen die begrepen zijn tussen bedieningsorgaan en de rem en die ze op rationele wijze verbindt. De overbrenging kan mechanisch, hydraulisch, pneumatisch, elektrisch, of gemengd zijn. Wanneer de remming geschiedt door middel van een krachtbron die onafhankelijk is van de bestuurder maar door deze laatste wordt beheerst, maakt de energiereserve ook deel uit van de overbrenging.
De rem is het orgaan waar de krachten zich ontwikkelen die zich verzetten tegen de beweging van het voertuig.
34. trolleybus, elke met een elektrische motor uitgeruste autobus die de nodige voortbewegingsenergie via een bovenleiding opneemt.
Het uitrusten van een trolleybus met een hulpmotor die toelaat de opname van elektrische energie te onderbreken zonder het voortbewegen van het voertuig daarbij te moeten onderbreken, wijzigt de aard van het voertuig niet;
35. landbouwtrekker of bosbouwtrekker, elke auto op wielen of rupsbanden, met tenminste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die naargelang van het geval voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker mag ingericht zijn voor het vervoer van een lading en van bijrijders.
36. kampeeraanhangwagen, elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk bevestigd is;
37. landbouwaanhangwagen, elke aanhangwagen die uitsluitend voortbewogen wordt door een landbouwtrekker zoals bedoeld in punt 35;
38. bootaanhangwagen, elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere boten;
39. aanhangwagen voor zweefvliegtuig, elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere zweefvliegtuigen;
40. werfaanhangwagen, elke aanhangwagen uitsluitend ingericht voor het personeel en voor het opbergen van materieel of voor een van beide, die zich bestendig op de werven bevindt en slechts uitzonderlijk op de openbare weg komt om van de ene werf naar de andere te worden gereden.
41. luchtvering, een veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt of een veringssysteem dat als gelijkwaardig aan luchtvering wordt erkend overeenkomstig de bepalingen van bijlage 14;
42. datum van eerste in verkeerstelling, het ogenblik waarop het voertuig in nieuwe staat voor de eerste maal wordt gebruikt;
43. datum van eerste in verkeerstelling in België, het ogenblik waarop het voertuig voor de eerste maal in België wordt gebruikt, hetzij als voertuig in nieuwe staat, hetzij als ingevoerd voertuig in gebruikte staat;
44. datum van opnieuw in het verkeer stellen in België, het ogenblik waarop het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gesteld in België na verandering van titularis of op het ogenblik waarop het voertuig, dat in België slechts tijdelijk was ingeschreven, opnieuw in het verkeer wordt gesteld onder een Belgische nummerplaat;
45. bedrijfsvoertuig, alle voertuigen die tot de categorieën N1, N2, N3, M2, M3, O2, O3 en O4 behoren;
46. titularis, de fysieke of rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven is;
47. bevoegde personen, personen aangeduid zoals in artikel 80;
48. keuringsbewijs, document dat aan diegene die het voertuig aanbiedt, afgeleverd wordt door het keuringsstation en dat het resultaat van de keuring vermeldt;
49. identificatieverslag, document dat toegevoegd wordt aan het keuringsbewijs ingeval van eerste keuring van bedrijfsvoertuigen waarvoor geen technische fiche moet afgeleverd worden en dat de identificatiegegevens van het voertuig vermeldt;
50. technische fiche, document dat afgeleverd wordt door de mandataris van het merk voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, O3 en O4 en dat de specifieke technische gegevens van het voertuig vermeldt;
51. keuringsvignet, klever die de geldigheidsduur van het keuringsbewijs voor bedrijfsvoertuigen vermeldt.
52. « stouwvoorziening », element dat specifiek ontworpen en vervaardigd is om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen; (toegevoegd KB 27-04-2007 in werking 1 juni 2007)
53. « verankeringspunt », deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig waaraan een stouwvoorziening wordt vastgemaakt. (toegevoegd KB 27-04-2007 in werking 1 juni 2007)
§3. Verhouding tussen de internationale en de nationale voertuigcategorieën:
|
|||||
|
|
|