|
|
![]() |
|||
|
ART 8. Algemene constructievoorschriften.
Het voertuig moet wat materialen, constructie en afwerking betreft. voldoen aan eisen welke uit technisch oogpunt aan goed en degelijk werk zijn te stellen.
ART 9. Geluid voortgebracht door de nieuwe voertuigen.
1° Voorschriften betreffende voertuigen andere dan vierwielige bromfietsen waarvoor de aanvraag om goedkeuring voor 1 januari 1983 wordt ingediend.
§1. Voor de nieuwe voertuigen, mag het in hierna bepaalde omstandigheden voortgebrachte geluid de volgende niveaus niet overschrijden:
§2. De metingen worden uitgevoerd in een stille en vrije zone bestaande uit een open ruimte met een straal van 50 m, waarvan het centraal gedeelte een praktisch horizontaal vlak is en een straal heeft van ten minste 20 m.
De bodembedekking van de rijbaan (bestaande uit beton, asfalt of gelijkaardig materiaal) die voor de proef wordt aangewend, mag geen overdreven geluid van de banden veroorzaken.
Het niveau van het omgevingsgeluid, met begrip van dit van de wind, moeten ten minste 10 dB (A) lager liggen dan het te meten geluidsniveau .
§3. Wanneer de metingen worden uitgevoerd, neemt alleen de bestuurder plaats op het voertuig. Vooraleer tot de metingen over te gaan zal de motor in zijn normale werkingsvoorwaarden gebracht worden wat betreft: de temperatuur, de afstelling, de bougie(s), de carburator(en) en andere onderdelen.
Er moeten ten minste twee geldige metingen aan elke zijde van het voertuig uitgevoerd worden.
Om geldig te zijn, mogen de uitslagen van twee metingen die aan eenzelfde zijde van een voertuig uitgevoerd worden niet meer dan 2 dB (A) verschillen. Indien het verschil groter is dan 2 dB (A), dient de gehele meting overgedaan te worden. Enkel de hoogste van de vier geldige metingen is maatgevend voor het bepalen van het door het voertuig voortgebrachte geluid.
De microfoon wordt op 1,20 m van de grond en op een afstand van 7,50 m van de richtingslijn van het voertuig, in de loodrechte PP' op deze lijn geplaatst (zie figuur van bijlage 2).
Twee lijnen AA' en BB' worden respectievelijk op 10 m voor en achter de lijn PP' op de rijbaan getrokken.
§4. De voertuigen worden met een bepaalde eenparige snelheid en in de hierna vermelde voorwaarden tot op de lijn AA' gebracht.
Op dat ogenblik wordt de gasklep zo snel mogelijk volledig geopend. Zij wordt in deze stand gehouden tot dat het achterste gedeelte van het voertuig de lijn BB' heeft overschreden, waarna zij zo snel mogelijk terug gesloten wordt.
De voertuigen naderen de lijn AA' met een eenparige snelheid bepaald in functie van de referentieomwentelingssnelheid van de motor en van hun overbrengingssysteem.
De referentieomwentelingssnelheid van de motor is die welke overeenstemt met de snelheid van het maximale motorvermogen, rekening gehouden met de werking van de eventuele regulatoren.
De naderingssnelheid is:
1) hetzij die welke overeenstemt met de motor draaiend aan drie vierden van de referentieomwentelingssnelheid, wanneer bij dit toerental de snelheid van het voertuig beneden de 50 Km/u ligt;
2) hetzij 50 km/u wanneer bij deze snelheid de motor draait tussen de helft en de drie vierden van de referentieomwentelingssnelheid;
3) hetzij die welke overeenkomt met de snelheid van de motor die draait aan de helft van de referentieomwentelingssnelheid wanneer bij dit toerental de snelheid van het voertuig meer bedraagt dan 50 km/u.
Het gebruik van de eerste stand van de bedieningsorganen van de transmissie, die uitsluitend dient voor het vertrekken, het parkeren of voor andere gelijkaardige maneuvers, is uitgesloten.
De stand van de bedieningsorganen van de transmissie is die welke toelaat het hoogste toerental van de motor te bekomen op het einde van de versnelling, zonder nochtans de referentieomwentelingssnelheid te bereiken.
§5. Het geluidsdrukniveau wordt gemeten met een precisiesonometer zoals beschreven in de door het Belgisch Instituut voor Normalisatie gepubliceerde norm NBN 576-80.
2° Voorschriften betreffende voertuigen waarvoor de aanvraag om goedkeuring ingediend wordt vanaf 1 januari 1983.
§1. Geluid voortgebracht door bromfietsen.
1. Definities.
1.1. Type bromfiets voor wat betreft het geluidsniveau en de uitlaatinrichting.
Onder « type bromfiets voor wat betreft het geluidsniveau en de uitlaatinrichting », worden verstaan bromfietsen die onderling geen essentiële verschillen vertonen ten aanzien van:
1.1.1. motortype (twee- of viertakt, zuigermotor of draaizuigermotor, aantal cylinders en cylinderinhoud, aantal en type carburators of injectiesystemen, plaatsing van de kleppen, maximumvermogen en daarbij behorend toerental).
Voor draaizuigermotoren dient het dubbele kamervolume als cylinderinhoud te worden beschouwd;
1.1.2. overbrengingssysteem, in het bijzonder het aantal versnellingen en hun overbrengingsverhoudingen;
1.1.3. aantal, type en plaatsing der uitlaatinrichtingen.
1.2. Uitlaatinrichting.
Onder « uitlaatinrichting », wordt verstaan, een volledig samenstel van onderdelen dat noodzakelijk is om het geluid veroorzaakt door de motor van de bromfiets en de uitlaat daarvan te beperken.
1.3. Uitlaatinrichtingen van verschillend type.
Onder « uitlaatinrichtingen van verschillend type » worden verstaan, inrichtingen die onderling belangrijke verschillen vertonen. welke verschillen betrekking hebben op de volgende kenmerken:
1.3.1. inrichtingen waarvan de onderdelen verschillende merk of fabrieksnamen dragen;
1.3.2. inrichtingen waarvan de materiaalkenmerken ten aanzien van enig onderdeel verschillend zijn, of inrichtingen waarvan de onderdelen verschillende vorm of afmeting hebben;
1.3.3. inrichtingen waarvan de werkingsprincipes van ten minste een onderdeel verschillend zijn;
1.3.4. inrichtingen waarvan de onderdelen verschillend zijn gecombineerd.
1.4. Onderdeel van een uitlaat- of inlaatgeluiddemper.
Onder « onderdeel van een uitlaat- of inlaatgeluiddemper » wordt verstaan, een van de afzonderlijke bestanddelen die samen de uitlaatinrichting (bijvoorbeeld uitlaatpijpen en buizenstelsels. de eigenlijke demper) of inlaatinrichting (luchtfilter) vormen.
Indien de motor voorzien is van een luchtfilter en/of een inlaatgeluiddemper, noodzakelijk om de grenswaarden van het geluidsniveau in acht te kunnen nemen, dan moeten deze filter en deze inlaatgeluiddemper worden beschouwd als onderdelen die even belangrijk zijn als de uitlaatinrichting.
2. Toegestane geluidsniveaus.
2.1. Geluidmeting aan rijdende bromfietsen.
2.1.1. Grenzen.
2.1.2. Meetapparatuur.
2.1.2.1. Akoestische metingen.
Het akoestische meetapparaat moet een precisiegeluidsniveaumeter zijn overeenkomstig het type als omschreven in Publikatie 651 (1979) << precisiegeluidsniveaumeter ª, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (I.E.C.). Voor de metingen wordt gebruik gemaakt van de ´ snelle ª, responsie en de beoordelingscurve A ,. die eveneens in deze publikatie zijn beschreven.
2.1.2.2. Snelheidsmetingen.
Toerental van de motor en snelheid van de bromfiets op het proeftraject moeten worden bepaald met een nauwkeurigheidsmarge van 3 %.
2.1.3. Wijze van meting.
2.1.3.1. Toestand van de bromfiets.
Tijdens de metingen moet de bromfiets in bedrijfsklare toestand zijn (met koelvloeistof. smeermiddelen. brandstof. outillage. reservewiel en bestuurder).
Voor de aanvang der metingen wordt de motor van de bromfiets op de normale bedrijfstemperatuur gebracht. Bij automatisch in en uitschakelende ventilatoren mag met het oog op de geluidmeting niet in de schakelautomatiek worden ingegrepen.
2.1.3.2. Proefterrein.
Het proefterrein moet uit een centraal gelegen versnellingstraject bestaan dat door een nagenoeg vlak terrein is omgeven. Het versnellingstraject moet waterpas zijn; het oppervlak moet droog zijn en van die aard dat de handen geen overmatig geluid produceren .
Op het proefterrein moeten de voorwaarden aangaande het vrije geluidsveld tussen een geluidsbron in het midden van het versnellingstraject en de microfoon in acht genomen worden tot op 1 dB nauwkeurig. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien in een straal van S() m rondom het middelpunt van het versnellingstraject geen grote geluidweerkaatsende voorwerpen zoals omheiningen. rotsen bruggen of gebouwen voorkomen. Het terreinoppervlak moet in een straal van ten minste 10 m rondom het middelpunt van het versnellingstraject uit een hard materiaal zoals beton, asfalt of een akoestisch gelijkwaardig materiaal bestaan en mag niet zijn bedekt met losse sneeuw. hoog gewas. mulle grond of as.
In de nabijheid van de microfoon mag geen hindernis voorkomen die van invloed kan zijn op het geluidsveld en tussen de microfoon en de geluidsbron mag zich niemand bevinden. De persoon die de meetapparatuur afleest moet zich zodanig opstellen dat hij op geen enkele wijze de aanwijzing van het meetapparaat beïnvloedt .
2.1.3.3. Diversen.
De metingen mogen niet bij ongunstige weersomstandigheden. en met name windvlagen worden verricht.
Bij de metingen moet het geluidsniveau volgens de kromme A van andere geluidsbronnen dan de geteste bromfiets of van de wind minstens 10 dB(A) lager zijn dan het door de bromfiets veroorzaakte geluidsniveau. Aan de microfoon mag een passend windscherm zijn aangebracht mits met de invloed hiervan op de gevoeligheid en de richtingskarakteristieken van de microfoon rekening wordt gehouden.
2.1.4. Meetmethode.
2.1.4.1. Aantal en aard van de metingen.
Het maximum geluidsniveau uitgedrukt in decibel (dB) volgens kromme A wordt gemeten tijdens het voorbijrijden van de bromfiets tussen de lijnen AA en BB zoals beschreven in bijlage 3 bij dit besluit. De meting is ongeldig indien een van het algemene geluidsniveau sterk afwijkende piekwaarde wordt vastgesteld.
2.1.4.2. Plaats van de microfoon.
De microfoon moet op 1.2 m hoogte boven het rijbaanvlak worden geplaatst op een afstand van 7.5 m van de referentielijn CC van de rijbaan. zoals beschreven in bijlage 3 bij dit besluit.
2.1.4.3. Wijze van rijden.
De bromfiets nadert met een constante beginsnelheid overeenkomstig. punt 2.1.1.4.1. de lijn AA'. Zodra de voorkant van de bromfiets de lijn AA bereikt wordt de gashendel zo snel als in de praktijk mogelijk is in de stand gebracht die overeenkomt met vol gas. De gashendel blijft in deze stand totdat de achterkant van de bromfiets de lijn BB bereikt, waarna de gashendel zo snel mogelijk weer in de stand stationair draaien wordt gebracht.
Bij alle metingen moet de bromfiets zodanig recht over het versnellingstraject worden gereden dat het middenlangsvlak van de bromfiets zo dicht mogelijk bij de lijn ( C ligt.
2.1.4.4 Naderingssnelheid.
2.1.4.4.1. Gebruik van de versnellingsbak, indien de bromfiets ermee uitgerust Is.
Wanneer de bromfiets uitgerust is met een versnellingsbak met handbediening dan wel met voetbediening wordt de versnelling ingeschakeld wanneer de topsnelheid op horizontale weg bereikt wordt.
Wanneer de bromfiets is uitgerust met een automatische versnellingsbak met een keuzehendel, dan wordt deze geplaatst in de positie die overeenstemt met de maximumsnelheid op horizontale weg.
De positie of de versnelling van de versnellingsbak die overeenstemt met de maximumsnelheid op horizontale weg wordt vooraf bepaald op een vermogentestbank.
2.1.4.4.2. Testprocedure.
Bromfiets klasse A:
De bromfiets nadert de lijn AA met een constante snelheid die gelijk is aan de maximumsnelheid indien deze lager of gelijk is aan 20 km/u. Indien ze de 20 km/u overschrijdt, zal het voertuig AA' naderen met een constante snelheid die gelijk is aan 20 km/u.
Bromfiets klasse B:
De bromfiets nadert de lijn AA' met een constante snelheid die gelijk is aan de maximumsnelheid indien deze lager of gelijk is aan 30 km/u. Indien ze de 30 km/u overschrijdt, zal het voertuig AA' naderen met een constante snelheid die gelijk is aan 30 km/u.
2.1.5. Resultaten.
2.1.5.1. In het keuringsrapport dat wordt opgesteld volgens het model als in bijlage 4 bij dit besluit worden alle voor de meetresultaten belangrijke omstandigheden en invloeden vermeld.
2.1.5.2. De waarden worden, op de dichtstbijzijnde decibel afgerond, van het meettoestel afgelezen.
Alleen meetwaarden waarvan het verschil bij twee opeenvolgende metingen aan dezelfde zijde van de bromfiets niet meer dan 2 dB (A) bedraagt, worden gebruikt.
2.1.5.3. Ten einde rekening te houden met afwijkingen bij de meting wordt het resultaat van elke meting gevormd door de op het apparaat afgelezen waarde verminderd met een dB (A).
2.1.5.4. Aan het voorschrift sub 2.1.1. wordt geacht te zijn voldaan indien de vier meetresultaten lager zijn dan of gelijk aan het maximaal toegestane niveau voor de categorie waartoe de bromfiets bij de proef behoort.
Indien een van de vier resultaten het maximum toegestane niveau overschrijdt, en deze overschrijding niet meer dan 1 dB (A) bedraagt, wordt een tweede reeks van vier metingen verricht. In dit geval wordt aan het voorschrift sub 2. 1.1. slechts geacht te zijn voldaan indien deze vier nieuwe resultaten lager zijn dan of gelijk zijn aan het maximum toegestane niveau.
Aan het voorschrift sub 2.1.1. wordt geacht niet te zijn voldaan in alle andere gevallen.
2.2. Geluidmeting van stilstaande bromfiets.
2.2.1. Geluidsdrukniveau op kleine afstand van de bromfiets.
2.2.1.1. Ten einde de latere controle van het geluidsniveau van de in het verkeer zijnde bromfietsen te vergemakkelijken wordt bovendien het geluiddrukniveau op korte afstand van de monding van de uitlaatinrichting (geluiddemper) overeenkomstig onderstaande voorschriften gemeten. Het meetresultaat en het motortoerental worden op het ogenblik van de meting geregistreerd in het keuringsrapport waarvan model in bijlage 4 bij dit besluit.
2.2.1.2. Daarenboven dienen de constructeur of zijn mandataris op het raam van de bromfiets onder de vorm van een vastgeklonken of op een gelijkwaardige manier vastgehechte plaat de volgende gegevens leesbaar en onuitwisbaar te vermelden:
2.2.2. Meetinstrumenten.
Er wordt een precisiegeluidsniveaumeter overeenkomstig punt 2.1.2.1. van § 1 van dit artikel gebruikt.
2.2.3. Wijze van meting.
2.2.3.1. Toestand van de bromfiets.
Voor de aanvang der metingen wordt de bromfiets op de normale bedrijfstemperatuur gebracht. Bij automatisch in- en uitschakelende ventilatoren mag tijdens de geluidmeting niet in de schakelautomatiek worden ingegrepen.
Tijdens de metingen moet de versnellingshandel in de vrijloop staan. Indien het onmogelijk is de overbrenging te ontkoppelen, moet het aangedreven wiel van de bromfiets vrij draaien, bijvoorbeeld door het op de standaard te plaatsen.
2.2.3.2. Proefterrein.
Als proefterrein mag iedere ruimte worden gebruikt waar zich geen belangrijke akoestische storingen voordoen. In het bijzonder geschikt zijn vlakke terreinen die met beton, asfalt of met een ander hard materiaal zijn bedekt en sterk reflecteren; oppervlakken van vast gewalste aarde zijn uitgesloten. Het proefterrein moet de afmetingen van een rechthoek hebben waarvan de zijden ten minste 3 m van de omtrek van de bromfiets (exclusief het stuur) zijn verwijderd. Buiten deze rechthoek mag zich geen enkele belangrijke hindernis, bijvoorbeeld een persoonmet uitzondering van de waarnemer en de bestuurderbevinden De bromfiets wordt binnen de genoemde rechthoek zodanig opgesteld dat de meetmicrofoon ten minste een meter verwijderd is van eventueel aanwezige trottoirbanden zoals beschreven in bijlage 3 bij dit besluit .
2.2.3.3. Diversen.
Door omgevingsgeluid en wind veroorzaakte aanwijzingen van het meettoestel moeten ten minste 10 dB(A) lager zijn dan het te meten geluidsniveau. Aan de microfoon mag een passend windscherm zijn aangebracht. mits met de invloed hiervan op de gevoeligheid van de microfoon rekening wordt gehouden.
2.2.4. Meetmethode.
2.2.4.1. Aard en aantal van de metingen.
Het maximale geluidsniveau uitgedrukt in decibel (dB) volgens kromme A wordt gemeten tijdens de in punt 2.~.4.3 bedoelde periode van werking.
Aan ieder meetpunt worden ten minste drie metingen verricht.
2.2.4.2. Plaats van de microfoon.
De microfoon moet ter hoogte van de monding van de uitlaat worden gehouden. doch in geen geval lager dan 0.2 m boven het rijwegoppervlak. De kop van de microfoon moet naar de opening zijn gericht waaruit de uitlaatgassen stromen en (1.5 m van deze opening zijn verwijderd. De as van de hoofdgevoeligheid van de microfoon moet evenwijdig aan het rijoppervlak zijn en een hoek van 45° + 10° vormen met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatrassen ligt.
Met betrekking tot dit loodrechte vlak wordt de microfoon opgesteld aan de kant waar de afstand tussen de microfoon en de omtrek van de bromfiets (exclusief het stuur) maximaal is.
Indien de uitlaatinrichting meer mondingen heeft waarvan de middelpunten onderling niet meer dan 11.3 m zijn verwijderd. wordt de microfoon gericht op de monding die zich het dichtst bij de omtrek van de bromfiets (exclusief het stuur) of zich het hoogst boven het rijwegoppervlak bevindt. Indien de afstand tussen de middelpunten van de mondingen meer dan 11.3 m bedraagt. worden er afzonderlijke metingen voor iedere monding verricht waarbij de grootste gemeten waarde wordt weerhouden.
2.2.4.3. Werkingsvoorwaarden van de motor.
Het toerental van de motor wordt op 3'4 van S constant gehouden: waarbij « S » het toerental per minuut bij het maximumvermogen is.
Wanneer het constante toerental is bereikt. wordt de gashandel snel weer in de stationaire stand gebracht. Het geluidsniveau wordt gemeten tijdens een periode van werking, die een kort ogenblik waarin het toerental constant wordt gehouden en de gehele duur van de vertraging omvat: hierbij geldt als meetwaarde de maximale aanwijzing van de geluidsniveaumeter.
2.2.5. Resultaten.
De waarden worden van het meettoestel afgelezen. met afronding op de dichtst bijzijnde hele decibel.
Alleen meetwaarden die bij 3 onmiddellijk opeenvolgende metingen werden verkregen en die onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen mogen worden gebruikt.
Als meetresultaat geldt de hoogste van de drie meetwaarden.
3. Uitlaatinrichting (geluiddemper).
3 1. Indien de bromfiets voorzieningen voor vermindering van het uitlaatgeluid (geluiddemper) heeft dienen de voorschriften van dit punt 3 pct worden nageleefd. Als de aanzuigbuis van de motor voorzien is van een luchtfilter en/of een inlaatgeluiddemper om te waarborgen dat het toegestane geluidsniveau niet wordt overschreden. dan worden dit filter en/of inlaatgeluiddemper geacht deel uit te maken van de geluiddemper en gelden de voorschriften van dit punt 3 ook voor dit filter en/of inlaatgeluiddemper.
3.2. Het schema van de uitlaatinrichting moet in bijlage gevoegd worden bij de aanvraag van het proces-verbaal van goedkeuring.
3.3. De geluiddemper moet voorzien zijn van een duidelijk leesbare en onuitwisbare merk- en typeaanduiding.
3.4. De geluiddemper mag slechts voorzien zijn van geluiddempend materiaal van vezelige substantie indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
3.4 1. er mag geen geluiddempend materiaal van vezelige substantie worden aangewend in de delen van de geluiddemper waardoor gas stroomt;
3.4.2. met passende inrichtingen dient te worden verzekerd dat het geluiddempende materiaal van vezelige substantie gedurende de gehele gebruiksduur van de geluiddemper op zijn plaats blijft;
3.4.3. het geluiddempende materiaal van vezelige substantie moet bestand zijn tegen een temperatuur die ten minste 20 pct. hoger ligt dan de bedrijfstemperatuur die kan voorkomen op de plaats waar dat materiaal in de geluiddemper is gebruikt.
§ 2. Geluid van de motorfietsen.
1. Voor de nieuwe voertuigen mag het in de hierna bepaalde omstandigheden voortgebrachte geluid de volgende niveaus niet overschrijden:
2. Meting van het geluidsniveau.
2.1. De verificatie van de uiterste waarden van het geluidsniveau van de motorfietsen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 78/1015/EEG van 22 juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorrijwielen (1) of van het reglement nr. 41 van de Economische Commissie voor Europa te Genève betreffende de eenvormige voorschriften inzake goedkeuringen van motorrijwielen en inzake geluid (2).
2.2. Elk verzoek om verificatie moet door de constructeur of diens gevolmachtigde worden ingediend bij het Ministerie van Verkeerswezen. Bestuur van het Vervoer. Directie B1. Kantersteen 12. I000 Brussel.
Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en een omstandig technische beschrijving van de goed te keuren motorfiets .
Voor eenzelfde type van motorfiets mag het verzoek om verificatie slechts in een Lid-Staat ingediend worden.
2.3. De verzoeker moet het bewijs leveren dat de eventuele onontbeerlijke proeven verricht werden in de door het Ministerie van Verkeerswezen erkende laboratoria.
2.4. Een verificatieattest waarvan model in bijlage 5, wordt verleend of geweigerd door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde naargelang het al dan niet overeenstemmen van het type motorfiets met de bepalingen van de betrokken richtlijn.
2.5. Elke motorfiets die in het verkeer wordt gebracht moet gelijkvormig blijven met het type motorfiets dat aan nazicht onderworpen werd.
Elke wijziging van een type motorfiets die het voorwerp uitmaakt van de in punt 2.4 bedoelde verificatie. alsmede de eventuele stopzetting van de productie. moet aan de Minister van Verkeerswezen of aan diens gemachtigde bekendgemaakt worden. Deze oordeelt dan of het een wijziging geldt die een nieuwe verificatie nodig heeft.
2.6. Op verzoek van de Minister van Verkeerswezen of van diens gemachtigde is de constructeur gehouden hem de motorfietsen of bestanddelen van motorfietsen of reeksuitrustingen waarvan het prototype het voorwerp van een vorige verificatie uitmaakte, ter beschikking te stellen voor proeven of gelijkvormigheidscontroles.
2.7. Het voor een type motorfiets verleende bewijs mag door de Minister van Verkeerswezen of diens gemachtigde ingetrokken worden in geval die motorfiets niet meer in overeenstemming is met het goedgekeurde prototype.
2.8. Elke weigering of intrekking van een bewijs moet aan de constructeur of diens gevolmachtigde betekend worden en met redenen omkleed zijn. Binnen de acht werkdagen na de datum van de betekening, mag de constructeur of diens gevolmachtigde een aanvraag tot herziening indienen bij de Minister van Verkeerswezen. Deze laatste moet binnen de maand, die volgt op de datum van indiening van deze aanvraag, een beslissing nemen.
2.9. Daarenboven moet de constructeur of zijn gemachtigde op het raam van het motorrijwiel een metalen plaatje vasthechten met klinknagels of evenwaardig, dat leesbaar en onuitwisbaar het volgende vermeldt:
§3
ART. 10. Geluid voortgebracht door de in dienst zijnde voertuigen.
1° Bepalingen betreffende voertuigen, andere dan de vierwielige bromfietsen, waarvan het verzoek tot goedkeuring ingediend wordt voor 1 januari 1983.
§ 1. Voor de in dienst zijnde voertuigen, mag het in de hierna bepaalde omstandigheden voortgebrachte geluid de volgende niveaus niet overschrijden:
Een tolerantie van 3 dB (A) is toegelaten.]
§ 2. De meting wordt verricht in een omgeving zonder weerkaatsing. Elke plaats in open lucht, waar zich geen enkel voorwerp binnen een straal van 5 m rond de microfoon bevindt, wordt als een omgeving zonder weerkaatsing beschouwd.
Indien aan deze eis niet voldaan wordt, moet de meting aangepast worden om met de weerkaatsing rekening te houden.
Het voertuig moet staan op een nagenoeg horizontale bodem die uit hard materiaal bestaat, zoals beton, asfalt, plaveisel of soortgelijke bedekking.
Geen enkele geluiddempende stof (hoog gewas, sneeuw, enz.) mag zich onder het voertuig of tussen het voertuig en de microfoon bevinden.
Het niveau van het omgevingsgeluid, daarbij inbegrepen het geluid veroorzaakt door de wind, moet ten minste 10 dB (A) kleiner zijn dan het toelaatbare niveau voor het voertuig.
§ 3. De microfoon wordt aan de zijde van de knalpot geplaatst, hij moet gekeerd zijn naar het motorblok en moet zich in een punt bevinden dat gelegen is op een afstand van 1,50 m van het zijvlak en 75 cm boven de grond.
§ 4. De meting gebeurt aan het stilstaande voertuig met warme en onbelaste motor.
Om een onbelaste motor een hoge draaisnelheid te doen ontwikkelen kan men, naargelang het type van de transmissie, de aandrijving op het nulpunt plaatsen, ontkoppelen of, nadat de motor in gang gezet is, de riem of de ketting afnemen.
Wanneer het voertuig met een automatische overbrenging is uitgerust, moet het op zijn steunvoet geplaatst worden.
De meting wordt uitgevoerd na een reeks van voldoende kort opeenvolgende versnellingen, om te vermijden dat de draaisnelheid die overeenstemt met het maximum motorvermogen overschreden wordt.
Men zal er echter over waken, dat de versnellingen niet te overhaastig onderbroken worden ten einde te vermijden dat er zich ontploffingen in de knalpot zouden voordoen
§ 5. Het geluidsniveau wordt gemeten met een sonometer waarvan de meetfout niet groter is dan I dB (A).
2° Bepalingen betreffende twee- en driewielige voertuigen waarvan het verzoek tot goedkeuring ingediend wordt na 1 januari 1983, alsook voor vierwielige bromfietsen.
§ 1.
Het geluid, voortgebracht door de in dienst zijnde voertuigen, mag de waarde vermeld op het plaatje bedoeld in 2°, § 1, punt 2.2.1.2. en § 2, punt 2.9 van artikel 9 van dit besluit, vermeerderd met 5 dB (A) voor de meting van het stilstaand voertuig, niet overschrijden .
In geval van twijfel, mogen de bevoegde beambten een geluidsmeting doorvoeren van het voertuig in beweging. In dit geval zijn de uiterste waarden van het geluidsniveau deze bepaald door artikel 9, 2°, van dit besluit, vermeerderd met 3 dB (A).
§ 2.
De metingen van het geluidsniveau van het in dienst zijnde voertuig, zullen uitgevoerd worden overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn op nieuwe voertuigen, zoals bepaald in artikel 9,2°, van dit besluit.
3° Om de geluidsmetingen te kunnen uitvoeren in de voorwaarden zoals bepaald in dit artikel, moet de bestuurder, indien gewenst, het voertuig ter beschikking stellen van de bevoegde beambten opdat ze ofwel het voertuig kunnen laten overbrengen naar een aangepaste plaats ofwel de bewegingen met het voertuig zelf uitvoeren ofwel beide kunnen doen.
4° Indien bij een controle vastgesteld wordt dat het geluidsniveau van een voertuig hoger ligt dan de toegestane uiterste waarde moet de houder ervan. onverminderd de bepalingen van artikel 36bis van dit besluit. het laten herstellen en binnen de vijf werkdagen voor controle aanbieden bij een bevoegde beambte.
Deze periode wordt echter teruggebracht tot twee dagen zo de vastgestelde waarde van het geluidsniveau de uiterste toegestane waarde voor gebruikte voertuigen met 7 dB (A) overtreft, of indien de geluiddemper niet oorspronkelijk is, of tenslotte indien de bevoegde beambte vaststelt dat het voertuig opzettelijk gewijzigd werd.
(1) De richtlijn 78/1015/EEG van 22 juli 1978 werd gepublicieerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschapen, nr. L349, van 13 december 1978.
(2) Het reglement n° 41 is te verkrijgen bij het Bestuur van het Vervoer. Directie B1. Kantersteen 12. 1000 Brussel.
|
|
|
|||||
|
|
|