|
Koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
|
Ruiten - Ruitenwisser - Ruitensproeier - Verwarming - Gevaarsdriehoek
ART 31. Uitzicht van de bestuurder.
De bestuurder van een voertuig op meer dan twee wielen moet voldoende uitzicht naar voren en op zij hebben.
De bestuurder van een [voertuig op meer dan twee wielen] waarvan twee wielen vooraan zijn geplaatst, moet, van uit een punt gelegen op 80 cm loodrecht boven het midden van zijn zitplaats, het wegdek op een afstand van 10 m en meer voor het voertuig kunnen waarnemen.
ART 32. Ruiten.
Indien een voertuig op meer dan twee wielen van ruiten is voorzien moeten ze aan de volgende eisen voldoen:
- De voorruit- of ruiten moeten bestaan uit gelaagd of gehard, volkomen doorzichtig en duurzaam glas, dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
De voorwerpen. er doorheen gezien. mogen niet vervormd schijnen.
- De onmiddellijk zowel rechts als links naast de bestuurder gelegen ruiten moeten bestaan uit duurzaam. volkomen doorzichtig materiaal dat hij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt. Eventuele beeldvertekening mag in geen geval hinder bij de besturing van het voertuig opleveren. Wanneer deze ruiten uit glas bestaan moet dit glas gelaagd of gehard zijn.
- Alle andere ruiten en doorschijnende of doorzichtige panelen moeten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk; niet in scherpe scherven uiteenvalt.
ART 33. Ruitenwisser.
Wanneer een voertuig op meer dan twee wielen is uitgerust met een voorruit, moet de voorruit zijn voorzien van een of meer doelmatige ruitenwissers waarmede voor de bestuurder vanaf zijn zitplaats een voldoend uitzicht wordt verkregen.
Deze ruitenwissers moeten kunnen werken zonder dat zij voortdurend door de bestuurder behoeven te worden bediend.
ART 34. Ruitensproeier.
De voertuigen op meer dan twee wielen die met een voorruit zijn uitgerust moeten van een ruitensproeier zijn voorzien.
ART 35. Verwarming.
1. Wanneer een voertuig op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie, van een verwarmingsinstallatie is voorzien moet deze alle veiligheidswaarborgen bieden.
2. Een verwarmingsinstallatie door rechtstreekse afgifte van warmte door de uitlaatlijding zelf is slechts toegestaan bij voertuigen met dieselmotor.
3. Een uitlaatverwarmingsinstallatie mag bij een voertuig met benzinemotor worden toegepast, indien het deel van de uitlaatleidingen gebruikt voor de verwarming van staal is en een wanddikte van tenminste 2 mm heeft.
ART 35bis. Gevaarsdriehoek.
De voertuigen met meer dan twee wielen moeten een gevaarsdriehoek aan boord hebben voor het signaleren van een geïmmobiliseerd voertuig of van een op de openbare weg gevallen lading.
De gevaarsdriehoek moet overeenkomstig zijn met de specificaties vastgesteld door het koninklijk besluit van 3 december 1976 inzake de goedkeuringsvoorwaarden van de gevaarsdriehoeken voor automobielvoertuigen.