|
|
![]() |
|||
|
ART 14. Lichten en reflectoren.
1. Bijzondere regelen betreffende de lichten en reflectoren van de bromfietsen met twee of drie wielen.
De grootlichten moeten bovendien van gelijke sterkte zijn.
Bij bromfietsen met twee wielen achteraan moeten de standlichten, de reflectoren voor, de achterlichten en de reflectoren achter symmetrisch ten opzichte van het langse mediaanvlak van de bromfiets zijn geplaatst en dezelfde afmetingen hebben.
De achterlichten moeten van gelijke sterkte zijn.
§2. De afstand tussen twee gelijknamige lichten of reflectoren moet groter of gelijk zijn aan 60 cm.
De maximum afstand tot de zijkant van een licht of reflector van de zijspanwagen wordt gemeten tot de verste van de bromfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen.
2. Bijzondere regelen betreffende de lichten en reflectoren van de motorfietsen met twee wielen met of zonder zijspanwagen.
Dit licht moet 's nachts bij helder weer de weg over een afstand van ten minste 100m voor het voertuig doeltreffend verlichten.
§ 2. Dimlicht.
Dit licht moet 's nachts bij helder weer de weg over een afstand van ten minste 40m voor het voertuig verlichten.
§ 3. Standlicht.
Zij moeten 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.
Zij moeten 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.
§ 6. Kentekenplaatverlichting.
§ 7. Achterreflector.
Zij moeten 's nachts bij helder weer voor de bestuurder van een voertuig zichtbaar zijn op een afstand van 150 m, indien beschenen door de grootlichten van het voertuig.
Bij zijspanwagens mag de maximum afstand tot de zijkant van de reflector, gemeten tot de verste van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen, ten hoogste 40 cm bedragen.
§ 8. Parkeerlicht.
De zijspanwagen mag een parkeerlicht aan de verste van de motorfiets verwijderde zijkant voeren. De kleur moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zijn.
De parkeerlichten kunnen eventueel worden vervangen door de standlichten en achterlichten.
Zij moeten 's nachts bij helder weer op 300 m zichtbaar zijn.
Zij mogen niet onttrokken zijn aan het gezicht van een persoon die zich op 10 m afstand zowel v66r als achter het licht en op 1 m naast de buitenste zijkant van het voertuig bevindt.
§ 9. Mistlicht voor.
§ 10. Mistlicht achter.
Dit licht moet geplaatst zijn in het midden of links van het midden van het voertuig op ten minste 10 cm van het stoplicht.
Het mag slechts ontstoken worden door een afzonderlijke schakelaar.
Het ontstoken licht moet door middel van een voortdurend brandend oranje verklikkerlichtje, aangebracht op een voor de bestuurder in het oog vallende plaats kenbaar worden gemaakt ofwel moet de schakelaar op een voor de bestuurder in het oog vallende plaats zijn aangebracht en zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen waaruit blijkt in welke stand van de schakelaar het licht is ingeschakeld.
§ 11. Voorreflector.
Bij zijspanwagens mag de maximum afstand tot de zijkant van de reflector gemeten tot de verste van de motorfiets verwijderde zijkant, ten hoogste 10 cm bedragen.
§ 12. Zijreflector.
Zij moeten 's nachts bij helder weer zichtbaar zijn voor de bestuurder van een voertuig gesitueerd op een afstand van 150 m indien beschenen door de grootlichten van dit voertuig.
§ 13. Overgangsbepalingen.