HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
De verordening : verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad.
HOOFDSTUK II. - Opsporing en vaststelling van de inbreuken
Art. 2.
De inbreuken op de verordening en op dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de bovengemelde wet van 18 februari 1969, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land.
Art. 3.
Met het opsporen en vaststellen van de inbreuken op de verordening en op dit besluit en met het immobiliseren zoals bepaald in artikel 4 van dit besluit worden belast;
Het voertuig bestuurd door de dader van één of meer inbreuken op de artikelen 6, 7 en 8 van de verordening of op dit besluit kan op kosten en risico van de dader van de inbreuk geïmmobiliseerd worden tot de oorzaak van de inbreuk wordt verholpen, met name ten einde de bestuurder te verplichten een dagelijkse rusttijd te nemen.
HOOFDSTUK III. - Leeftijd van de bijrijders
Art. 5.
Voor nationaal vervoer binnen een straal van 50 kilometer van de standplaats van het voertuig, met inbegrip van de gemeenten waarvan het centrum binnen die straal ligt, is de minimumleeftijd van de bijrijders teruggebracht tot 16 jaar, op voorwaarde dat zulks geschiedt met het oog op de beroepsopleiding en binnen de grenzen van de nationale arbeidswetgeving.
Art. 6.
Niet onderworpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening is het vervoer door de volgende voertuigen :
a) voertuigen van, of zonder bestuurder gehuurd door, de overheid voor het verrichten van wegvervoer dat de particuliere vervoersondernemingen niet beconcurreert;
b) voertuigen voor goederenvervoer van, of zonder bestuurder gehuurd door landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, veeteelt- of visserijbedrijven die in het kader van hun eigen beroepsactiviteit worden gebruikt voor ritten binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf;
c) land- en bosbouwtrekkers die worden gebruikt voor land- of bosbouwwerkzaamheden, binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf dat het voertuig bezit, huurt of least;
d) voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 7,5 ton, die worden gebruikt :
- door leveranciers van de universele dienst als gedefinieerd in artikel 2, punt 13, van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, om zendingen te leveren in het kader van de universele dienst (art. 2 punt 13. leverancier van de universele dienst: de overheids- of particuliere instelling die in een lidstaat een universele postdienst of een deel daarvan levert, en waarvan de identiteit overeenkomstig artikel 4 aan de Commissie is meegedeeld;)
of
- voor het vervoer van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder beroepshalve gebruikt.
Deze voertuigen mogen alleen binnen een straal van 50 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf worden gebruikt en op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;
e) voertuigen die worden gebruikt voor autorijlessen en -examens met het oog op het behalen van een rijbewijs of een getuigschrift van vakbekwaamheid, voorzover ze niet worden gebruikt voor het commerciële goederen- of personenvervoer;
f) voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas of elektriciteitsvoorziening, het onderhoud van en het toezicht op wegen, de huis-aan-huisophaling en verwijdering van huishoudelijk afval, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie;
g) voertuigen met 10 tot 17 zitplaatsen die uitsluitend worden gebruikt voor niet-commercieel personenvervoer;
h) speciaal voor het vervoer van circus- of kermismateriaal uitgeruste voertuigen;
i) speciaal uitgeruste voertuigen voor mobiele projecten, die in stilstand voornamelijk als educatieve inrichting bedoeld zijn;
j) voertuigen voor het ophalen van melk op de boerderijen en het terugbrengen van melkbussen of zuivelproducten voor de veevoeding naar de boerderijen;
k) speciaal voor geld- en/of waardetransporten uitgeruste voertuigen;
l) voertuigen gebruikt voor het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemde geslachte dieren of slachtafval;
m) voertuigen die uitsluitend gebruikt worden op wegen binnen hubfaciliteiten, zoals havens, intermodale overslaghavens en spoorwegterminals;
n) voertuigen voor het vervoer van levende dieren van de boerderijen naar de plaatselijke markten en omgekeerd, of van de markten naar de plaatselijke slachthuizen binnen een straal van 50 km.
HOOFDSTUK V. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Art. 7.
In het koninklijk besluit van 14 juli 2005 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In artikel 1, eerste lid, wordt het volgende zijnsdeel geschapt ", gewijzigd bij de verordening (EEG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 en aangepast aan de vooruitgang van de techniek bij de verordening (EEG) nr. 1360/2002 van de Commissie van 13 juni 2000".
2° In artikel 2, tweede lid, wordt het volgende zinsdeel toegevoegd : "en op de voertuigen bedoeld opgesomd in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 april 2007 ».
3° In artikel 16, § 4, tweede streepje, wordt het volgende zinsdeel toegevoegd « , of een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie C en C+E of voor de subcategorie C1 en C1 + E. ».
4° § 1 van artikel 18 wordt geschrapt en vervangen door : "§ 1. De inbreuken op de verordening en op dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de bovengemelde wet van 18 februari 1969 of artikel 4 van de wet van 21 juni 1985, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, al naar gelang zij betrekking hebben op het gebruik van het controleapparaat of op zijn technische kenmerken."
5° Artikel 20. De tekst van artikel 20 wordt geschrapt en vervangen door :
« indien een bestuurder geen voertuig heeft kunnen besturen ingevolge ziekte of verlof, of indien hij een voertuig heeft bestuurd dat niet onder het toepassingsgebied van de verordening valt en hij geen registratiebladen of prestaties op zijn bestuurderkaart kan voorleggen, kan hij op het ogenblik van de controle zijn afwezigheden rechtvaardigen bij middel van een origineel attest van zijn werkgever.
Het attest is van het model bedoeld in de bijlage van de beslissing van de Commissie van C(2007)1470, over het formulier betreffende de sociale wetgeving inzake wegvervoer. »
6° In bijlage I :
a) de tekst van de titel wordt geschrapt en vervangen door de volgende tekst : "Voertuigen waarin de tachograaf niet gebruikt moet worden of waarin hij niet geïnstalleerd moet zijn in het geval van vervoer bedoeld in artikel 2, punt 3 van verordening (EG) nr. 561/2006 en tot de overeenstemming bedoeld in punt 3 van hetzelfde artikel van de verordening bereikt is";
b) de zin "A. Voertuigen gebruikt voor binnenlands of internationaal vervoer" wordt geschrapt.
c) punt B. "Voertuigen uitsluitend gebruikt voor binnenlands vervoer" wordt geschrapt..
Art. 8.
Het koninklijk besluit van 13 mei 1987 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van Sociale aard van het wegvervoer, wordt opgeheven.
Niettemin blijft artikel 1 van toepassing tot de data bepaald in artikel 28 van de verordening..
Art. 9.
In het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige overtredingen inzake het vervoer over de weg worden de verwijzingen naar de verordening (EEG) nr. 3820/85 beschouwd als verwijzingen naar de verordening.
Art. 10.
Dit besluit treedt in werking op 11 april 2007.
Art. 11.
Onze Minister van Mobiliteit is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 9 april 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
Voor de Minister van Mobiliteit, afwezig :
De Minister van Werk en Informatisering,
P. VANVELTHOVEN.
|
|||||
|
|