Art. 1.
Alle in België ingeschreven auto's, op de weg gebruikt voor personen- of goederenvervoer, moeten uitgerust zijn met een controleapparaat tachograaf genoemd waarvan de metingen worden geregistreerd.
Het eerste lid is niet van toepassing op de auto's vermeld in Bijlage I.
Art. 2.
§ 1. [Voor de toepassing van Hoofdstuk II van de verordening (E.E.G.) nr. 3821/85 van de Raad van Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, hierna de verordening genoemd, wordt het verzoek om goedkeuring van een model van tachograaf of registratieblad door de fabrikant of zijn gevolmachtigde ingediend bij het Ministerie van Economische Zaken, Metrologische Dienst.]
Het verzoek gaat vergezeld van de beschrijvende documenten aan de hand waarvan de gelijkvormigheid van het model met de voorschriften van de verordening kan worden nagegaan.
§ 2. De Minister van Economische Zaken of zijn afgevaardigde verleent de goedkeuring, schorst ze of trekt ze in. Hij geeft het in artikel 8 van de verordening bedoelde goedkeuringsmerk af.
( § 1 vervangen bij art. 2 K.B. 10 november 1987 (B.S., 19 december 1987).
Art. 3.
Op het plaatje bedoeld in Hoofdstuk V van Bijlage I van de verordening komen de volgende vermeldingen voor:
Art. 4.
§ 1. De auto's, onderworpen aan de voorschriften van dit besluit, moeten een controle van de tachograaf en de installatie in haar geheel ondergaan, ten einde na te zien of de tachograaf en zijn installatie in overeenstemming zijn met de voorschriften van de verordening.
§ 2. Deze controles worden uitgevoerd door de erkende organismen voor automobielinspectie. Zij hebben plaats:
Bij deze aanbieding dient de tachograaf te zijn voorzien van een registratieblad, waarop minstens een afgelegde afstand van ongeveer 5 km werd geregistreerd.
De overeenstemming van een in een auto geplaatste tachograaf en van de installatie in haar geheel met de voorschriften van de verordening wordt bevestigd door voor de auto een schouwingsbewijs, voorzien in artikel 23 § 3 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen, af te leveren waarop geen melding wordt gemaakt van een gebrek of mankement van de tachograaf of de installatie in haar geheel.
§ 3. Onafhankelijk van bovenvermelde controles dienen de voertuigen minstens eenmaal om de zes jaar en telkens de gemachtigde ambtenaren van het Ministerie van Verkeerswezen of van het Ministerie van Economische Zaken het eisen, een controle van de meetnauwkeurigheid van de tachograaf en de installatie in haar geheel te ondergaan bij een erkende installateur.
Bij deze controle dient de installateur de installatieplaat te hernieuwen.
§ 4. De tachograaf en de installatie in haar geheel waarvan de controlerende instantie heeft vastgesteld dat zij niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van de verordening, moeten zo vlug mogelijk in orde gebracht worden.
Art. 5.
Tegen de beslissingen van de controlerende instantie kan bij een ter post aangetekende brief binnen vijf werkdagen na de kennisgeving ervan beroep worden ingesteld bij het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van het Vervoer, en tegelijk bij het Ministerie van Economische Zaken, Metrologische Dienst.
Het beroep wordt met redenen omkleed.
De Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie en de Minister van Economische Zaken of hun afgevaardigden doen gezamenlijk uitspraak binnen de dertig dagen na de verzending van de brief.
Art. 6.
§ 1. De natuurlijke personen of rechtspersonen die de installatie, de controle van de meetnauwkeurigheid of de herstelling in hun lokalen uitvoeren, moeten erkend zijn: voor wat de installatie en de controle van de meetnauwkeurigheid betreft als installateur, voor wat de herstelling betreft als hersteller.
§ 2. De voorwaarden waaraan de natuurlijke persoon of de rechtspersonen moeten voldoen om te worden erkend, zijn bepaald in Bijlage II van dit besluit.
§ 3. Iedere aanvraag om erkenning als installateur of hersteller van tachografen wordt gericht aan het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van het Vervoer, Directie BI. Een eensluidend afschrift van die aanvraag wordt gelijktijdig gericht aan het Ministerie van Economische Zaken, Metrologische Dienst.
§ 4. Daartoe gemachtigde ambtenaren of beambten van het Ministerie van Verkeerswezen en van het Ministerie van Economische Zaken gaan gezamenlijk bij de aanvrager na of hij de vereiste beroepsbekwaamheid en technische vaardigheid bezit en over de nodige uitrusting beschikt. Deze ambtenaren maken een omstandig verslag op van de gedane vaststellingen.
§ 5. De erkenning wordt door de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie of zijn gemachtigde verleend of geweigerd op grond van het verslag bedoeld in § 4.
§ 6.
§ 7. Een werkdocument wordt opgesteld telkens een tachograaf en de installatie in haar geheel geïnstalleerd, hersteld of op zijn meetnauwkeurigheid gecontroleerd wordt. Dit document wordt bewaard in een passend klassement.
De modellen van de bovengenoemde documenten en de erbij te voegen bijlagen worden bepaald door de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, in samenwerking met zijn Collega van Economische Zaken, voor wat betreft de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren, of hun respectieve afgevaardigde. De belanghebbenden worden daarvan per omzendbrief in kennis gesteld.
§ 8. Op de installateurs en de herstellers wordt in overleg controle uitgeoefend door daartoe gemachtigde ambtenaren of beambten van het Ministerie van Verkeerswezen of van het Ministerie van Economische Zaken.
§ 9. De erkenning kan worden ingetrokken wanneer een installatie, een controle van de meetnauwkeurigheid of een herstelling niet overeenkomstig de voorschriften van de verordening werd uitgevoerd.
De erkenning kan ook worden ingetrokken wanneer, naar aanleiding van een gezamenlijke controle door de ambtenaren of beambten bedoeld in § 8 van dit artikel bij de houder van de erkenning wordt vastgesteld dat niet meer voldaan is aan de voorwaarden voor het installeren of herstellen van tachografen.
§ 10. De weigering of de intrekking van de erkenning wordt met redenen omkleed en wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de betrokkene gebracht.
Binnen dertig dagen na de kennisgeving van de weigering of van de intrekking van de erkenning kan de betrokkene bij een ter post aangetekende brief beroep instellen bij het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van het Vervoer.
De Minister doet bij een met redenen omklede beslissing uitspraak binnen dertig dagen na de verzending van de brief, de betrokkene of zijn gevolmachtigde eventueel gehoord.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
§ 11. Ieder installateur of hersteller die zijn werkzaamheden stopzet, geeft daarvan onmiddellijk kennis aan het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van het Vervoer en aan het Ministerie van Economische Zaken, Metrologische Dienst.
§ 12. Ten minste een lid van het personeel dat aangewezen is voor het installeren of het herstellen van tachografen moet een daarvoor geschikte opleiding gekregen hebben.
Iedere wijziging van het aldus gekwalificeerd personeel wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie en van de Minister van Economische Zaken met vermelding van de datum waarop de verandering heeft plaatsgehad.
Art. 7.
Ten einde de gelijkvormige toepassing van de voorschriften van de verordening te verzekeren, stelt de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie in samenwerking met zijn Collega van Economische Zaken voor wat betreft de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren, of hun respectieve afgevaardigde, concrete richtlijnen op i.v.m. de installatie, de herstelling en de controle van de tachograaf en de installatie in haar geheel. Deze richtlijnen zullen per omzendbrief aan de belanghebbenden meegedeeld worden.
Art. 8.
[......]
Opgeheven bij art. 3 K.B. 10 november 1987 (B.S., 19 december 1987).
Art. 9.
De houder van het voertuig moet de sleutel van de tachograaf aan de bemanningsleden afgeven. In geen geval mag deze sleutel in de opening van de doos blijven steken*. (* nvdr: wordt niet meer beboet)
Art. 10.
Artikel 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg is van toepassing bij overtreding van de bepalingen van de verordening en van die van dit besluit.
De in België vastgestelde overtredingen zijn er strafbaar, zelfs al werden zij op het grondgebied van een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen begaan door personen die in het Rijk verblijf houden.
Art. 11.
§ 1. Met het opsporen en vaststellen van de in artikel 10 bedoelde overtredingen worden, overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, belast:
§ 2. In geval geschillen rijzen betreffende de juistheid van de registratie door de tachograaf, brengen de bevoegde ambtenaren en beambten van de Metrologische Dienst van het Ministerie van Economische Zaken terzake een technisch advies uit.
Art. 12.
Wanneer voor het in de verordening bedoelde vervoer een vergunning vereist is en de houder van die vergunning of degene die met het dagelijks beheer van de vergunninghoudende rechtspersoon belast is, bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing veroordeeld is wegens overtreding van de bepalingen van dezelfde verordening, kan de vergunning tijdelijk of definitief worden ingetrokken onder de voorwaarden en volgens de procedure bedoeld:
Art. 13.
Het koninklijk besluit van 23 april 1971 houdende uitvoering van de verordening, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 februari 1976, 28 februari 1977, 6 mei 1977, 30 december 1977 en 2 oktober 1979, wordt opgeheven op de datum van de algemene inwerkingtreding van dit besluit, met uitzondering van artikel 5, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 februari 1976, en van artikel 6, die worden opgeheven op de datum waarop artikel 6 van dit besluit in werking treedt.
Art. 14.
Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekend gemaakt, met uitzondering van de artikelen 4 en 6 die respectievelijk zes maanden en twaalf maanden na de bekendmaking in werking treden.
Art. 15.
Onze Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie en Onze Minister van Economische Zaken, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
|
|||||
|
|
|