to homepage


bijlage 1B

"BIJLAGE - I B"
Verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 betreffende het controleapparaat (tachograaf).
CONSTRUCTIE-, BEPROEVINGS-, INSTALLATIE- EN CONTROLEVOORSCHRIFTEN


IV. FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN VOOR TACHOGRAAFKAARTEN

4. Milieu- en elektrotechnische specificaties
185 De tachograafkaart moet onder alle klimatologische omstandigheden die zich normaliter op het grondgebied van de Gemeenschap voordoen, en ten minste binnen het temperatuurbereik van ¯ 25 °C tot + 70 °C met incidentele pieken tot + 85 °C naar behoren kunnen functioneren. ÑIncidenteelî betekent niet meer dan 4 uur per keer en niet meer dan 100 keer tijdens de levensduur van de kaart.
186 De tachograafkaart moet binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 % naar behoren kunnen functioneren.
187 De tachograafkaart moet vijf jaar lang naar behoren kunnen functioneren indien de vastgestelde milieu- en elektrotechnische grenswaarden niet overschreden worden.
188 Tijdens de werking moet de tachograafkaart voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie van 31 oktober 1995 (1) inzake elektromagnetische compatibiliteit en moet de kaart beveiligd zijn tegen elektrostatische ontladingen.

(1) PB L 266 van 8.11.1995, blz. 1.

5. Gegevensopslag
Voor de toepassing van dit punt
- wordt de tijd met een resolutie van 1 minuut geregistreerd, tenzij anders gespecificeerd;
- worden kilometerstanden met een resolutie van 1 kilometer geregistreerd;
- wordt de snelheid met een resolutie van 1 km/h geregistreerd.
De functies, opdrachten en logische structuren van de tachograafkaart die voldoen aan de gegevensopslageisen, worden
gespecificeerd in appendix 2.
189 Dit punt specificeert de minimale opslagcapaciteit voor de verschillende gegevensbestanden. De tachograafkaart moet de effectieve opslagcapaciteit van deze gegevensbestanden aan het controleapparaat mededelen.
Eventuele additionele gegevens die op de tachograafkaart kunnen worden opgeslagen en betrekking hebben op andere toepassingen die de kaart eventueel kan ondersteunen, moeten opgeslagen worden overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG
(1).

(1) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 1.

5.1. Identificatie van de kaart en veiligheidsgegevens
5.1.1. Toepassingsidentificatie

190
De tachograafkaart moet de volgende toepassingsidentificatiegegevens kunnen opslaan:
- toepassingsidentificatie van de tachograaf,
- type tachograafkaartidentificatie.
5.1.2. Chipidentificatie
191
De tachograafkaart moet de volgende identificatiegegevens van het Integrated Circuit (IC) opslaan:
- IC-serienummer,
- IC-productiereferenties.
5.1.3. IC-kaartidentificatie
192
De tachograafkaart moet de volgende smartcard-identificatiegegevens opslaan:
- serienummer van de kaart (inclusief productiereferenties),
- typegoedkeuringsnummer van de kaart,
- persoonlijke identificatie van de kaart (ID),
- embedder ID,
- IC-identificatiesymbool.
5.1.4. Beveiligingselementen
193
De tachograafkaart moet de volgende beveiligingselementen kunnen opslaan:
- Europese openbare sleutel,
- lidstaatcertificaat,
- kaartcertificaat,
- persoonlijke sleutel van de kaart.

5.2. Bestuurderskaart
5.2.1. Kaartidentificatie

194
De bestuurderskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:
- kaartnummer,
- Lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte,
- datum van afgifte van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt.
5.2.2. Identificatie van de kaarthouder
195
De bestuurderskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:
- de naam van de houder,
- de voorna(a)m(en) van de houder,
- geboortedatum,
- voorkeurstaal.
5.2.3. Informatie over het rijbewijs
196
De bestuurderskaart moet de volgende rijbewijsgegevens kunnen opslaan:
- lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte,
- rijbewijsnummer (op het moment van afgifte van de kaart).
5.2.4. Gegevens over het gebruik van voertuigen
197
De bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt gebruikt, en voor elke gebruiksperiode van een bepaald voertuig op die dag (deze periode omvat de opeenvolgende cyclus van inbrengen en uitnemen van de betrokken kaart in het voertuig) de volgende gegevens kunnen opslaan:
- datum en tijd van het eerste gebruik van het voertuig (d.w.z. de eerste kaartinvoer voor deze gebruiksperiode van het voertuig, of 00.00 uur wanneer de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);
- kilometerstand van het voertuig op dat moment;
- datum en tijd van het laatste gebruik van het voertuig, (d.w.z. de laatste kaartuitneming voor deze gebruiksperiode van het voertuig, of 23.59 uur wanneer de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);
- kilometerstand van het voertuig op dat moment;
- kentekennummer en lidstaat waar het voertuig geregistreerd is.
198 De bestuurderskaart moet ten minste 84 registraties kunnen opslaan.
5.2.5. Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
199
De bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt gebruikt of waarvoor de bestuurder handmatig activiteiten heeft ingevoerd, de volgende gegevens kunnen opslaan:
- de datum;
- een dagelijkse aanwezigheidsteller (met één verhoogd voor elk van de betrokken kalenderdagen);
- de totale afstand die de bestuurder gedurende deze dag heeft afgelegd;
- de bestuurdersstatus om 00.00 uur;
- wanneer de bestuurder zijn activiteiten wijzigt en/of wanneer de status van de bestuurders verandert en/of wanneer hij zijn kaart heeft ingebracht of uitgenomen:
- de status van de bestuurders (ALLEEN/MET EEN PLOEG);
- de lezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);
- de status van de kaart (INGEBRACHT, NIET INGEBRACHT);
- de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID, WERKEN, ONDERBREKING/RUST);
- het tijdstip van de wijziging.
200 Het geheugen van de bestuurderskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste 28 dagen vasthouden (een bestuurder wijzigt zijn activiteiten gemiddeld 93 keer per dag).
201 De gegevens genoemd in de voorschriften 197 en 199 moeten zodanig worden opgeslagen, dat de activiteiten in de volgorde van optreden kunnen worden opgezocht, zelfs in het geval van tijdsoverlapping.
5.2.6. Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen
202
De bestuurderskaart moet de volgende door de bestuurder ingevoerde gegevens betreffende de plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen, kunnen opslaan:
- de datum en tijd van de invoer (of de datum/tijd van de invoer indien deze handmatig geschiedt);
- de soort invoer (begin of einde, omstandigheid van invoer);
- het ingevoerde land en de ingevoerde regio;
- de kilometerstand van het voertuig.
203 Het geheugen van de bestuurderskaart moet ten minste 42 registraties kunnen opslaan.
5.2.7. Gegevens over voorvallen
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd met een resolutie van 1 seconde geregistreerd.
204
De bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan over de volgende voorvallen, die door het controleapparaat gedetecteerd zijn terwijl de kaart was ingebracht:
- tijdsoverlapping (indien deze kaart het voorval heeft veroorzaakt);
- kaartinvoer tijdens het rijden (indien deze kaart aanleiding is voor het voorval);
- laatste kaartsessie niet correct afgesloten (indien deze kaart aanleiding is voor het voorval);
- onderbreking van de stroomvoorziening;
- fout in de bewegingsgegevens;
- pogingen de beveiliging op te heffen of te omzeilen.
205
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze voorvallen kunnen opslaan:
- code van het voorval;
- datum en tijd van het begin van het voorval (of van de kaartvoer indien het voorval op dat moment plaatsvond);
- datum en tijd van het einde van het voorval (of van de kaartvoer indien het voorval op dat moment plaatsvond);
- kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin het voorval plaatsvond.
Opmerking: In het geval van "Tijdsoverlapping":
- moeten datum en tijd van het begin van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartuitneming uit het vorige voertuig;
- moeten datum en tijd van het einde van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartinvoer in het huidige voertuig;
- moeten voertuiggegevens overeenkomen met die van het voertuig dat het voorval heeft veroorzaakt.
Opmerking: In het geval van "Laatste kaartsessie niet correct afgesloten":
- moeten datum en tijd van het begin van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartinvoer van de sessie die niet correct afgesloten is;
- moeten datum en tijd van het einde van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartvoer van de sessie tijdens welke het voorval ontdekt werd (lopende sessie);
- moeten voertuiggegevens overeenkomen met het voertuig waarin de sessie niet correct afgesloten werd.
206 De bestuurderskaart moet gegevens over de 6 meest recente voorvallen van elke soort (d.w.z. 36 voorvallen) kunnen opslaan.
5.2.8. Gegevens over fouten
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd met een resolutie van 1 seconde geregistreerd.
207
De bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan met betrekking tot de volgende fouten, die het controleapparaat heeft gedetecteerd terwijl de kaart was ingebracht:
- kaartfout (indien deze kaart aanleiding is voor het voorval);
- fout in controleapparaat.
208
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze fouten kunnen opslaan:
- foutcode;
- datum en tijd van het begin van de fout (of van de kaartinvoer indien de fout op dat moment voortduurde);
- datum en tijd van het einde van de fout (of van de kaartuitneming indien de fout op dat moment voortduurde);
- kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin de fout optrad.
209 De bestuurderskaart moet gegevens over de twaalf meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 24 fouten) kunnen opslaan.
5.2.9. Gegevens over controleactiviteiten
210
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens met betrekking tot controleactiviteiten opslaan:
- datum en tijd van de controle;
- controlekaartnummer en lidstaat die de kaart heeft afgegeven;
- soort controle (tonen en/of printen en/of VU-overbrenging en/of kaartoverbrenging (zie opmerking));
- overgebrachte periode, in het geval van overbrenging;
- kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin de controle plaatsvond.
Opmerking: De beveiligingseisen impliceren dat kaartoverbrenging uitsluitend geregistreerd wordt wanneer de overbrenging plaatsvindt via een controleapparaat.
211 De bestuurderskaart moet één van deze registraties kunnen vasthouden.
5.2.10. Gegevens over kaartsessies
212
De bestuurderskaart moet gegevens opslaan met betrekking tot het voertuig waarin de lopende sessie geopend is:
- datum en tijd waarop de sessie geopend werd (d.w.z. kaartinvoer), met een resolutie van een seconde;
- kentekennummer en lidstaat van registratie.
5.2.11. Gegevens over specifieke omstandigheden
212a
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens met betrekking tot specifieke omstandigheden kunnen opslaan, die ingevoerd werden terwijl de kaart in een lezer ingebracht was:
- datum en tijd van de invoer;
- aard van de specifieke omstandigheid.
212b De bestuurderskaart moet 56 van dergelijke registraties kunnen vasthouden.

5.3. Werkplaatskaart

5.3.1. Beveiligingselementen
213 De werkplaatskaart moet een Personal Identification Number (pincode) kunnen opslaan.
214 De werkplaatskaart moet de cryptografische sleutels voor het verbinden van de bewegingsopnemers aan de voertuigunits kunnen opslaan.
5.3.2. Kaartidentificatie
215
De werkplaatskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:
- kaartnummer;
- lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte;
- datum van afgifte van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt.
5.3.3. Identificatie van de kaarthouder
216
De werkplaatskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:
- naam van de werkplaats;
- adres van de werkplaats;
- naam van de houder;
- voorna(a)m(en) van de houder;
- voorkeurstaal.
5.3.4. Gegevens over het gebruik van voertuigen
217 De werkplaatskaart moet de gegevens over het gebruik van voertuigen op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.
218 De werkplaatskaart moet ten minste 4 van dergelijke registraties kunnen opslaan.
5.3.5. Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
219 De werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.
220 De werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste gedurende 1 dag met gemiddelde activiteiten van de bestuurder vasthouden.De werkplaatskaart moet de gegevens over voorvallen en fouten op dezelfde bestuurderskaart.
De werkplaatskaart moet gegevens over de drie meest recente voorvallen
meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 12 fouten) kunnen opslaan.
5.3.6. Gegevens over begin en einde van dagelijkse werkperioden
221 De werkplaatskaart moet de gegevens over begin en einde van dagelijkse werkperioden op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.
222 De werkplaatskaart moet ten minste 3 registraties kunnen vasthouden.
5.3.7. Gegevens over voorvallen en fouten
223 De werkplaatskaart moet de gegevens over voorvallen en fouten op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.
224 De werkplaatskaart moet gegevens over de drie meest recente voorvallen van elke soort (d.w.z. 18 voorvallen) en de zes meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 12 fouten) kunnen opslaan.
5.3.8. Gegevens over controleactiviteiten
225 De werkplaatskaart moet de gegevens over controleactiviteiten op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart
5.3.9. Gegevens over kalibrering en tijdafstelling
226 De werkplaatskaart moet registraties van kalibreringen en/of tijdafstellingen kunnen vasthouden die uitgevoerd worden terwijl de kaart in een controleapparaat ingebracht is.
227
Elke kalibreringsregistratie moet de volgende gegevens bevatten:
- doel van de kalibrering (activering, eerste installatie, installatie, periodieke inspectie); [gewijzigd EG 432/2004]
- VIN-nummer van het voertuig;
- bijgewerkte of bevestigde parameters (w, k, l, bandenmaat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilometerstand (nieuwe en oude waarde), datum en tijd (nieuwe en oude waarde);
- identificatienummer van het controleapparaat (onderdeelnummer en serienummer van de VU, serienummer van de bewegingsopnemer).
228 De werkplaatskaart moet ten minste 88 registraties kunnen opslaan.
229 De werkplaatskaart moet een teller bevatten die het totale aantal kalibreringen aangeeft dat met de kaart uitgevoerd is.
230 De werkplaatskaart moet een teller bevatten die het aantal kalibreringen sinds de laatste overbrenging aangeeft.
5.3.10. Gegevens over specifieke omstandigheden
230a De werkplaatskaart moet gegevens over specifieke omstandigheden op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart. De werkplaatskaart moet 2 registraties kunnen opslaan.

5.4. Controlekaart

5.4.1. Kaartidentificatie
231
De controlekaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens opslaan:
- kaartnummer;
- lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte;
- ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt (indien van toepassing).
5.4.2. Identificatie van de kaarthouder
De controlekaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:
- naam van de controle-instantie;
- adres van de controle-instantie;
- naam van de houder;
- voorna(a)m(en) van de houder;
- voorkeurstaal.
232 5.4.3. Gegevens over controleactiviteiten
233
De controlekaart moet de volgende gegevens met betrekking tot controleactiviteiten kunnen opslaan:
- datum en tijd van de controle;
- soort controle (tonen en/of printen en/of VU-overbrenging en/of kaartoverbrenging);
- overgebrachte periode (indien van toepassing);
- kentekennummer en lidstaat waarin het gecontroleerde voertuig geregistreerd staat;
- kaartnummer en lidstaat die de gecontroleerde bestuurderskaart afgegeven heeft.
234 De controlekaart moet ten minste 230 registraties kunnen vasthouden.
5.5. Bedrijfskaart
5.5.1. Kaartidentificatie
235
De bedrijfskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:
- kaartnummer;
- lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte;
- ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt (indien van toepassing).
5.5.2. Identificatie van de kaarthouder
236
De bedrijfskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:
- naam van het bedrijf;
- adres van het bedrijf.
5.5.3. Gegevens over bedrijfsactiviteiten
237
De bedrijfskaart moet de volgende gegevens over bedrijfsactiviteiten kunnen opslaan:
- datum en tijd van de activiteit;
- soort activiteit (vergrendeling en/of ontgrendeling van VU en/of VU-overbrenging en/of kaartoverbrenging);
- overgebrachte periode (indien van toepassing);
- kentekennummer en registrerende instantie van de lidstaat van het voertuig;
- kaartnummer en lidstaat die de kaart afgegeven heeft (in het geval van kaartoverbrenging).
238 De De bedrijfskaart moet ten minste 230 van dergelijke registraties kunnen vasthouden.

top of page