to homepage


bijlage 1B

"BIJLAGE - I B"
Verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 betreffende het controleapparaat (tachograaf).
CONSTRUCTIE-, BEPROEVINGS-, INSTALLATIE- EN CONTROLEVOORSCHRIFTEN


III. FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN AAN HET CONTROLEAPPARAAT

20. Kalibrering
154 De kalibreringsfunctie moet:
  • de bewegingsopnemer automatisch met de VU verbinden;
  • de constante van het controleapparaat (k) digitaal aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig (w) aanpassen (voertuigen met twee of meer brugoverbrengingen worden uitgerust met een schakeltoestel waarmee deze verschillende overbrengingen automatisch op een lijn worden gebracht met de overbrenging waarvoor het apparaat aan het voertuig aangepast is);
  • (onbeperkt) de lopende tijd afstellen;
  • de lopende kilometerstand bijstellen;
  • in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens van de bewegingsopnemer bijwerken;
  • andere parameters van het controleapparaat bijwerken of bevestigen: VIN-nummer van het voertuig, w, l, bandenmaat en instelling van de snelheidsbegrenzer indien van toepassing.
155 Het verbinden van de bewegingsopnemer met de VU moet ten minste bestaan uit:
  • het bijwerken van installatiegegevens van de bewegingsopnemer die door de bewegingsopnemer worden vastgehouden (indien nodig);
  • het kopiëren van essentiële identificatiegegevens van de bewegingsopnemer naar het geheugen van de VU.Het controleapparaat moet voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie (1) tot aanpassing aan de technische
    vooruitgang van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad met betrekking

(1) PB L 266 van 8.11.1995, blz. 1.

156 De kalibreringsfunctie kan via de kalibrerings-/overbrengingsverbinding essentiële gegevens invoeren in overeenstemming met het kalibreringsprotocol gedefinieerd in appendix 8. Met de kalibreringsfunctie kunnen ook via andere verbindingen essentiële gegevens worden ingevoerd.
21. Tijdafstelling
157 Met de tijdafstellingsfunctie kan de lopende tijd met maximaal 1 minuut voor een periode van minimaal 7 dagen worden bijgesteld.
158 In de kalibreringsmodus kan de lopende tijd met de tijdafstellingsfunctie zonder beperkingen worden bijgesteld.
22. Prestatiekenmerken
159 De voertuigunit moet binnen het temperatuurbereik van ¯ 20 °C tot + 70 °C naar behoren functioneren en de bewegingsopnemer binnen het temperatuurbereik van ¯ 40 °C tot + 135 °C. De inhoud van het geheugen moet bij temperaturen tot ¯ 40 °C bewaard blijven.
160 Het controleapparaat moet binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 % naar behoren functioneren.
161 Het controleapparaat moet tegen overspanning, polariteitomkering en kortsluiting worden beveiligd.
162 Het controleapparaat moet voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie vooruitgang van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad met betrekking tot tegen elektrostatische ontladingen en stootspanning worden beveiligd.
23. Materialen
163 Alle samenstellende delen van het controleapparaat moeten uitgevoerd zijn in materiaal van voldoende stabiliteit en mechanische sterkte en met onveranderlijke elektrische en magnetische eigenschappen.
164 Alle inwendige delen van het apparaat moeten bij normale gebruiksomstandigheden tegen vocht en stof beschermd zijn.
165 De voertuigunit moet voldoen aan beschermingsklasse IP 40 en de bewegingsopnemer moet voldoen aan beschermingsklasse IP 64, volgens IEC 529.
166 Het controleapparaat moet wat het ergonomisch ontwerp betreft, voldoen aan de toepasselijke technische specificaties.
167 Het controleapparaat moet tegen onopzettelijke beschadiging worden beschermd.
24. Aanduidingen
168 Indien het controleapparaat de kilometerstand en snelheid van het voertuig toont, moeten onderstaande aanduidingen in het leesvenster voorkomen:
  • bij het getal voor de afstandsaanduiding, de voor het meten van de afstand gebruikte eenheid, weergegeven door het symbool "km";
  • bij het getal voor de snelheidsaanduiding, de aanduiding "km/h".

Het controleapparaat kan ook de snelheid in mijl per uur tonen, in welk geval voor de snelheidsaanduiding het symbool "mph" gebruikt wordt.

169 Een identificatieplaatje met de volgende gegevens moet op elk afzonderlijk samenstellend deel van het controleapparaat worden aangebracht:
  • naam en adres van de fabrikant van het apparaat;
  • onderdeelnummer en bouwjaar;
  • serienummer van het apparaat;
  • goedkeuringsmerk van het type controleapparaat.
170 Wanneer er onvoldoende fysieke ruimte is voor alle bovengenoemde gegevens, moeten op het identificatieplaatje ten minste voorkomen: de naam of het logo van de fabrikant en het onderdeelnummer van het controleapparaat.

top of page