|
|
20. Kalibrering |
| 154 |
|
De kalibreringsfunctie moet:
- de bewegingsopnemer automatisch met de VU verbinden;
- de constante van het controleapparaat (k) digitaal aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig (w) aanpassen (voertuigen met twee of meer brugoverbrengingen worden uitgerust met een schakeltoestel waarmee deze verschillende overbrengingen automatisch op een lijn worden gebracht met de overbrenging waarvoor het apparaat aan het voertuig aangepast is);
- (onbeperkt) de lopende tijd afstellen;
- de lopende kilometerstand bijstellen;
- in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens van de bewegingsopnemer bijwerken;
- andere parameters van het controleapparaat bijwerken of bevestigen: VIN-nummer van het voertuig, w, l, bandenmaat en instelling van de snelheidsbegrenzer indien van toepassing.
|
| 155 |
|
Het verbinden van de bewegingsopnemer met de VU moet ten minste bestaan uit:
- het bijwerken van installatiegegevens van de bewegingsopnemer die door de bewegingsopnemer worden vastgehouden (indien nodig);
- het kopiëren van essentiële identificatiegegevens van de bewegingsopnemer naar het geheugen van de VU.Het controleapparaat moet voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie (1) tot aanpassing aan de technische
vooruitgang van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad met betrekking
(1) PB L 266 van 8.11.1995, blz. 1.
|
| 156 |
|
De kalibreringsfunctie kan via de kalibrerings-/overbrengingsverbinding essentiële gegevens invoeren in overeenstemming met het kalibreringsprotocol gedefinieerd in appendix 8. Met de kalibreringsfunctie kunnen ook via andere verbindingen essentiële gegevens worden ingevoerd. |
|
|
21. Tijdafstelling |
| 157 |
|
Met de tijdafstellingsfunctie kan de lopende tijd met maximaal 1 minuut voor een periode van minimaal 7 dagen worden bijgesteld. |
| 158 |
|
In de kalibreringsmodus kan de lopende tijd met de tijdafstellingsfunctie zonder beperkingen worden bijgesteld. |
|
|
22. Prestatiekenmerken |
| 159 |
|
De voertuigunit moet binnen het temperatuurbereik van ¯ 20 °C tot + 70 °C naar behoren functioneren en de bewegingsopnemer binnen het temperatuurbereik van ¯ 40 °C tot + 135 °C. De inhoud van het geheugen moet bij temperaturen tot ¯ 40 °C bewaard blijven. |
| 160 |
|
Het controleapparaat moet binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 % naar behoren functioneren. |
| 161 |
|
Het controleapparaat moet tegen overspanning, polariteitomkering en kortsluiting worden beveiligd. |
| 162 |
|
Het controleapparaat moet voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie vooruitgang van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad met betrekking tot tegen elektrostatische ontladingen en stootspanning worden beveiligd. |
|
|
23. Materialen |
| 163 |
|
Alle samenstellende delen van het controleapparaat moeten uitgevoerd zijn in materiaal van voldoende stabiliteit en mechanische sterkte en met onveranderlijke elektrische en magnetische eigenschappen. |
| 164 |
|
Alle inwendige delen van het apparaat moeten bij normale gebruiksomstandigheden tegen vocht en stof beschermd zijn. |
| 165 |
|
De voertuigunit moet voldoen aan beschermingsklasse IP 40 en de bewegingsopnemer moet voldoen aan beschermingsklasse IP 64, volgens IEC 529. |
| 166 |
|
Het controleapparaat moet wat het ergonomisch ontwerp betreft, voldoen aan de toepasselijke technische specificaties. |
| 167 |
|
Het controleapparaat moet tegen onopzettelijke beschadiging worden beschermd. |
|
|
24. Aanduidingen |
| 168 |
|
Indien het controleapparaat de kilometerstand en snelheid van het voertuig toont, moeten onderstaande aanduidingen in het leesvenster voorkomen:
- bij het getal voor de afstandsaanduiding, de voor het meten van de afstand gebruikte eenheid, weergegeven door het symbool "km";
- bij het getal voor de snelheidsaanduiding, de aanduiding "km/h".
Het controleapparaat kan ook de snelheid in mijl per uur tonen, in welk geval voor de snelheidsaanduiding het symbool "mph" gebruikt wordt.
|
| 169 |
|
Een identificatieplaatje met de volgende gegevens moet op elk afzonderlijk samenstellend deel van het controleapparaat worden aangebracht:
- naam en adres van de fabrikant van het apparaat;
- onderdeelnummer en bouwjaar;
- serienummer van het apparaat;
- goedkeuringsmerk van het type controleapparaat.
|
| 170 |
|
Wanneer er onvoldoende fysieke ruimte is voor alle bovengenoemde gegevens, moeten op het identificatieplaatje ten minste voorkomen: de naam of het logo van de fabrikant en het onderdeelnummer van het controleapparaat. |