to homepage


bijlage 1B

"BIJLAGE - I B"

Verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 betreffende het controleapparaat (tachograaf).

CONSTRUCTIE-, BEPROEVINGS-, INSTALLATIE- EN CONTROLEVOORSCHRIFTEN


III. FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN AAN HET CONTROLEAPPARAAT

1. Bewaking van het inbrengen en uitnemen van controlekaarten
013 Het controleapparaat bewaakt de kaartinterfaces om het inbrengen en uitnemen van kaarten te detecteren.
014 Bij het inbrengen van de kaart moet het controleapparaat bepalen of de ingebrachte kaart een geldige tachograafkaart is; indien dit het geval is, wordt het kaarttype geïdentificeerd.
015 Het controleapparaat wordt zodanig geconstrueerd dat de tachograafkaart bij juiste invoer in de kaartinterface vergrendeld wordt.
016 De tachograafkaart kan alleen worden uitgenomen wanneer het voertuig stilstaat en nadat de relevante gegevens op de kaart opgeslagen zijn. Het uitnemen van de kaart vereist een doelgerichte handeling van de gebruiker.
2. Meting van snelheid en afgelegde afstand
017 Deze functie meet continu de kilometerstand die overeenkomt met de totale door het voertuig afgelegde afstand en kan deze weergeven.
018 Deze functie meet continu en geeft de snelheid van het voertuig.
019 De snelheidsmeter geeft ook aan of het voertuig rijdt of stilstaat. Het voertuig rijdt wanneer de functie gedurende ten minste 5 seconden meer dan 1 imp/s van de bewegingsopnemer waarneemt; als dit niet het geval is, wordt aangenomen dat het voertuig stilstaat.

Inrichtingen die snelheid (tachometer) en totale afgelegde afstand (kilometerteller) zichtbaar maken en geïnstalleerd zijn in een voertuig dat uitgerust is met een controleapparaat dat voldoet aan de bepalingen van deze verordening, moeten voldoen aan de eisen betreffende de maximumtoleranties die vastgelegd zijn in deze bijlage (hoofdstuk III.2.1 en III.2.2).


2.1. Meting van de afgelegde afstand
020 De afgelegde afstand kan worden gemeten:
  • hetzij bij vooruitrijden en achteruitrijden,
  • hetzij uitsluitend bij vooruitrijden.
021 Het controleapparaat moet afstanden van 0 tot 9 999 999,9 km meten.
022 De gemeten afstand moet binnen de onderstaande toleranties liggen (afstanden van ten minste 1 000 m):
  • ± 1 % vóór installatie,
  • ± 2 % bij installatie en periodieke controle,
  • ± 4 % tijdens gebruik.:
023 De resolutie van de gemeten afstand bedraagt ten minste 0,1 km.
2.2. Meting van de snelheid
024 Het controleapparaat moet snelheden van 0 tot 220 km/h meten.
025 Om een maximumtolerantie op de getoonde snelheid van ± 6 km/h tijdens gebruik te garanderen en rekening houdend met:
  • een tolerantie van ± 2 km/h voor invoervariaties (bandenvariaties, ...),
  • een tolerantie van ± 1 km/h voor metingen gedurende de installatie of periodieke controles,

moet het controleapparaat bij snelheden tussen 20 en 180 km/h en bij kenmerkende coëfficiënten van het voertuig tussen 4 000 en 25 000 imp/km de snelheid meten met een tolerantie van ± 1 km/h (bij constante snelheid).

Opmerking: De resolutie van de gegevensopslag geeft een additionele tolerantie van 0,5 km/h aan de door het controleapparaat opgeslagen snelheid.

025a De snelheid moet binnen de normale toleranties correct worden gemeten binnen 2 seconden na het einde van een versnelling wanneer de versnelling maximaal 2 m/s2 bedraagt.
026 De resolutie van de gemeten snelheid bedraagt ten minste 1 km/h.
3. Tijdmeting
027 De tijdmetingsfunctie moet voortdurend operationeel zijn en de UTC-datum en UTC-tijd digitaal leveren.
028 De UTC-datum en UTC-tijd worden gebruikt voor datering in het controleapparaat (registraties, afdrukken, gegevensuitwisseling, leesvenster, ...).
029 Om de plaatselijke tijd zichtbaar te maken, is het mogelijk om de in het leesvenster getoonde tijd in stappen van een half uur te wijzigen.
030 Afwijkingen mogen niet meer dan ± 2 seconden per dag bedragen onder typegoedkeuringsvoorwaarden.
031 De resolutie van de gemeten tijd bedraagt ten minste 1 seconde.
032 De tijdmeting mag niet worden beïnvloed door een externe stroomonderbreking van minder dan 12 maanden onder typegoedkeuringsvoorwaarden.
4. Controleren van de activiteiten van de bestuurder
033 Deze functie moet voortdurend en afzonderlijk de activiteiten van een bestuurder en een bijrijder controleren.
034 Activiteiten van de bestuurder zijn RIJDEN, WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE.
035 De bestuurder en/of de bijrijder hebben de mogelijkheid om WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE handmatig te selecteren.
036 Wanneer het voertuig rijdt, wordt RIJDEN automatisch geselecteerd voor de bestuurder en wordt BESCHIKBAARHEID automatisch geselecteerd voor de bijrijder.
037 Wanneer het voertuig stopt, wordt WERKEN automatisch geselecteerd voor de bestuurder.
038 De eerste verandering van activiteit die zich binnen 120 seconden na de automatische verandering naar WERK ten gevolge van het stoppen van het voertuig voordoet, wordt beschouwd als hebbende plaatsgevonden op het moment van het stoppen van het voertuig (de verandering naar WERK kan om die reden geannuleerd worden).
039 Deze functie moet veranderingen van activiteiten naar de registratiefuncties uitvoeren met een resolutie van een minuut.
040 Wanneer RIJDEN heeft plaatsgevonden binnen een kalenderminuut, dan wordt de hele minuut beschouwd als RIJDEN.
041 Wanneer RIJDEN heeft plaatsgevonden binnen de onmiddellijk voorafgaande en de onmiddellijk volgende kalenderminuut, dan wordt de hele minuut beschouwd als RIJDEN.
042 Wanneer een kalenderminuut niet wordt beschouwd als RIJDEN overeenkomstig de voorgaande bepalingen, dan wordt de hele minuut gerekend als de langste ononderbroken activiteit binnen de minuut (of als de laatste van een aantal even lange activiteiten).
043 Deze functie moet ook voortdurend de rijtijdperiode en de cumulatieve rusttijd van de bestuurder controleren.
5. Controleren van de status van de bestuurders
044 Deze functie moet voortdurend en automatisch de status van de bestuurders controleren.
045 De status MET EEN PLOEG wordt geselecteerd wanneer twee geldige bestuurderskaarten in het apparaat worden ingebracht, de status ALLEEN wordt in alle andere gevallen geselecteerd.
6. Handmatige invoer door de bestuurders
6.1. Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode
046 Met deze functie kan het begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode van een bestuurder en/of een bijrijder worden ingevoerd.
047 Plaatsen worden gedefinieerd als het land en - voorzover relevant - de regio.
048 Op het moment van uitnemen van een bestuurderskaart (of werkplaatskaart) moet het controleapparaat de bestuurder (bijrijder) vragen een "plaats waar de dagelijkse werkperiode eindigt" in te voeren.
049 Dit verzoek kan in het controleapparaat genegeerd worden.
050 Het is mogelijk om plaatsen waar de dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt, zonder kaart in te voeren, of om ze in te voeren op andere tijdstippen dan tijdens het inbrengen of uitnemen van de kaart.
6.2. Handmatige invoer van de activiteiten van de bestuurder
050a Bij het inbrengen van de bestuurderskaart (of werkplaatskaart) - en alleen op dat moment - moet het controleapparaat:
  • de kaarthouder de datum en tijd van zijn laatste kaartuitneming doorgeven en,
  • de kaarthouder vragen zich te identificeren wanneer de huidige kaartinvoer een voortzetting van de lopende dagelijkse werkperiode inhoudt.
De kaarthouder kan de vraag onbeantwoord laten of positief dan wel negatief antwoorden:
  • als de kaarthouder de vraag negeert, vraagt het controleapparaat de kaarthouder naar een "plaats waar de dagelijkse werkperiode begint". Deze vraag kan in het controleapparaat genegeerd worden. Wanneer een plaats wordt ingevoerd, wordt deze geregistreerd in het geheugen en op de tachograafkaart en gerelateerd aan de tijd van kaartinvoer.
  • in het geval van een positief of negatief antwoord vraagt het controleapparaat aan de kaarthouder om activiteiten handmatig in te voeren, met begin- en einddatum en begin- en eindtijd, waarbij uitsluitend WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE mogen worden ingevoerd, en zulks uitsluitend voor de periode van de laatste kaartuitneming tot de actuele invoer. Deze activiteiten mogen elkaar niet overlappen. De onderstaande procedures moeten hierbij in acht worden genomen:
    • Wanneer de kaarthouder positief op de vraag antwoordt, moet het controleapparaat de kaarthouder vragen de activiteiten handmatig in te voeren, in chronologische volgorde, voor de periode na de laatste kaartuitneming tot de actuele invoer. Het proces eindigt wanneer de eindtijd van een handmatig ingevoerde activiteit gelijk is aan de tijd van kaartinvoer.
    • Als de kaarthouder negatief op de vraag antwoordt, moet het controleapparaat:
      • De kaarthouder vragen handmatig de activiteiten in chronologische volgorde in te voeren vanaf het tijdstip van kaartuitneming tot het tijdstip van het einde van de betreffende dagelijkse werkperiode (of wanneer de dagelijkse werkperiode doorgaat, het vermelden van de activiteiten met betrekking tot het betrokken voertuig op een registratieblad). Het controleapparaat moet daarom, voordat de kaarthouder iedere activiteit handmatig kan invoeren, de kaarthouder vragen of de eindtijd van de laatst geregistreerde activiteit het einde van een voorafgaande werkperiode weergeeft (zie onderstaande opmerking).

        Opmerking: als de kaarthouder verzuimt de eindtijd van de voorafgaande werkperiode op te geven, en handmatig een activiteit invoert waarvan de eindtijd gelijk is aan de tijd van kaartinvoer, dan moet het controleapparaat:

        • aannemen dat de dagelijkse werkperiode is geëindigd bij het begin van de eerste RUSTPAUZE (of ONBEKENDE periode) na kaartuitneming of op het tijdstip van kaartuitneming wanneer geen rustpauze werd ingevoerd (en wanneer geen periode ONBEKEND is);
        • aannemen dat de begintijd (zie hieronder) gelijk is aan de tijd van kaartinvoer;
        • de onderstaande stappen volgen.
      • Vervolgens, indien de eindtijd van de betreffende werkperiode afwijkt van de tijd van kaartuitneming, of wanneer op dat moment geen plaats van einde van de dagelijkse werkperiode ingevoerd is, de kaarthouder vragen "de plaats waar de dagelijkse werkperiode is geëindigd, te bevestigen of in te voeren" (deze vraag kan in het controleapparaat genegeerd worden). Wanneer een plaats wordt ingevoerd, wordt deze alleen geregistreerd op de tachograafkaart en alleen wanneer deze afwijkt van de plaats die ingevoerd is bij kaartuitneming (indien een plaats werd ingevoerd), en wanneer deze betrekking heeft op de eindtijd van de werkperiode.
      • Vervolgens de kaarthouder vragen "de begintijd in te voeren" van de lopende dagelijkse werkperiode (of van de activiteiten met betrekking tot het onderhavige voertuig wanneer de kaarthouder eerder een registratieblad tijdens deze periode gebruikte) en de kaarthouder verzoeken om een "plaats waar de dagelijkse werkperiode begint" (deze vraag kan in het controleapparaat genegeerd worden). Wanneer een plaats wordt ingevoerd, wordt deze geregistreerd op de tachograafkaart en gerelateerd aan deze begintijd. Wanneer deze begintijd gelijk is aan de tijd van kaartinvoer, dan wordt de plaats ook in het geheugen geregistreerd.
      • Vervolgens, wanneer deze begintijd afwijkt van de tijd van kaartinvoer, de kaarthouder vragen om handmatig activiteiten in chronologische volgorde in te voeren vanaf deze begintijd tot de tijd van kaartinvoer.
        Het proces eindigt wanneer de eindtijd van een handmatig ingevoerde activiteit gelijk is aan de tijd van kaartinvoer.
    • De kaarthouder kan vervolgens een handmatig ingevoerde activiteit in het controleapparaat wijzigen tot de validatie door middel van selectie van een specifieke opdracht. Daarna is een wijziging niet meer mogelijk.
    • Antwoorden op de eerste vraag waarop geen invoer van activiteiten volgt, worden door het controleapparaat geïnterpreteerd als zijnde genegeerd door de kaarthouder.

    Tijdens dit hele proces zal het controleapparaat niet langer dan de onderstaande time-outs wachten op invoer:

  • wanneer gedurende 1 minuut geen interactie met de manuele interface van het controleapparaat plaatsvindt (met een visueel en mogelijk hoorbaar waarschuwingssignaal na 30 seconden) of,
  • wanneer de kaart wordt uitgenomen of een andere bestuurderskaart (of werkplaatskaart) ingebracht wordt of,
  • zodra het voertuig begint te rijden,

    in dit geval moet het controleapparaat de reeds ingevoerde gegevens valideren.

6.3. Invoer van specifieke omstandigheden
050b De bestuurder kan de twee onderstaande specifieke omstandigheden in real-time in het controleapparaat invoeren:
  • NIET VERPLICHT (begin, einde)
  • VERVOER PER VEERBOOT/TREIN

Een "VERVOER PER VEERBOOT/TREIN" mag niet voorkomen wanneer een "NIET VERPLICHT" omstandigheid geopend is.

Een geopende "NIET VERPLICHT" omstandigheid moet door het controleapparaat automatisch worden gesloten wanneer een bestuurderskaart wordt ingebracht of uitgenomen.

top of page