I. DEFINITIES
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a) activering
fase waarin het controleapparaat volledig operationeel wordt en alle functies, inclusief veiligheidsfuncties, uitvoert;
Het activeren van een controleapparaat vereist het gebruik van een werkplaatskaart en het invoeren van de pincode.
een functie bestemd voor het vaststellen en verifiëren van een opgegeven identiteit;
de eigenschap dat informatie afkomstig is van een persoon wiens identiteit kan worden geverifieerd;
d) ingebouwd beproevingssysteem (BIT)
beproevingen die op verzoek worden uitgevoerd en door de bestuurder of een externe inrichting gestart worden;
e) kalenderdag
een dag van 00.00 uur tot en met 24.00 uur. Alle kalenderdagen hebben betrekking op de UTC-tijd (gecoördineerde wereldtijd);
f) kalibrering
het bijwerken of bevestigen van voertuigparameters die in het geheugen opgeslagen zijn. Voertuigparameters zijn onder andere voertuigidentificatie (VIN-nummer, kentekennummer en de lidstaat van registratie) en voertuigkenmerken (w, k, l, bandenmaat, snelheidsbegrenzer (indien van toepassing), actuele UTC-tijd, actuele kilometerstand);
g) kaartnummer
een nummer van 16 alfanumerieke tekens dat een tachograafkaart binnen een lidstaat op unieke wijze identificeert.
Het kaartnummer omvat een opeenvolgende index (indien van toepassing), een vervangingsindex en een vernieuwingsindex;
Een kaart wordt dus op unieke wijze door de code van de lidstaat van afgifte en het kaartnummer geïdentificeerd.
h) opeenvolgende index van de kaart
het 14e teken van een kaartnummer, dat wordt gebruikt om de verschillende kaarten te onderscheiden die afgegeven zijn aan een bedrijf of aan een instantie die meerdere tachograafkaarten mag bezitten. Het bedrijf of de instantie wordt op unieke wijze door de eerste 13 tekens van het kaartnummer geïdentificeerd;
i) vernieuwingsindex van de kaart
het 16e alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat bij elke vernieuwing van een tachograafkaart verhoogd wordt;
j) vervangingsindex van de kaart
het 15e alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat bij elke vervanging van een tachograafkaart verhoogd wordt;
k) Kenmerkende coëfficiënt van het voertuig
het getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal van het onderdeel van het voertuig (secundaire as van de versnellingsbak of wiel van voertuig) dat is verbonden met het controleapparaat wanneer het voertuig de afstand van één kilometer aflegt, gemeten onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI). De kenmerkende coëfficiënt wordt in impulsen per kilometer (w = . . . imp/km) uitgedrukt;
l) bedrijfskaart
een door de autoriteiten van een lidstaat aan de eigenaar of houder van met het controleapparaat uitgeruste voertuigen afgegeven tachograafkaart;
De bedrijfskaart identificeert het bedrijf en met de bedrijfskaart kunnen de in het controleapparaat van dit bedrijf opgeslagen gegevens zichtbaar gemaakt, overgebracht en afgedrukt worden.
m) Constante van het controleapparaat
het getal dat de waarde aangeeft van het ingangssignaal dat nodig is ter aanwijzing en registratie van een afgelegde afstand van 1 kilometer; deze constante moet in impulsen per kilometer (k = . . . imp/km) worden uitgedrukt;
n) rijtijdperiode wordt in het controleapparaat berekend als (1):
de op dat moment verzamelde rijtijden van elke bestuurder afzonderlijk sinds de laatste BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE of ONBEKENDE(2) periode van 45 minuten of meer (deze periode kan in een aantal periodes van 15 minuten of meer worden opgedeeld). De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenregistraties over de lopende periode waarin geen kaart ingebracht was, en met betrekking tot de relevante lezer;
o) Controleapparaat
een door de autoriteiten van een lidstaat aan de bevoegde autoriteiten afgegeven tachograafkaart;
De controlekaart identificeert de controle-instantie en mogelijk de met de controle belaste ambtenaar en verschaft toegang tot de in het geheugen of op de bestuurderskaart opgeslagen gegevens om deze te lezen, af te drukken en/of over te brengen.
p) cumulatieve rusttijd wordt in het controleapparaat berekend als (1):
de cumulatieve onderbreking van de rijtijd wordt berekend als de op dat moment verzamelde BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE of ONBEKENDE (2) perioden van 15 minuten of meer van elke bestuurder afzonderlijk, sinds zijn laatste BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE of ONBEKENDE (2) periode van 45 minuten of meer (deze periode kan in een aantal periodes van 15 minuten of meer worden opgedeeld).
De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten.
Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met onbekende periodes van negatieve duur (begin van een onbekende periode > einde van een onbekende periode) ten gevolge van tijdsoverlapping tussen twee verschillende controleapparaten.
Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenregistraties met betrekking tot de lopende periode waarin geen kaart ingebracht was, en met betrekking tot de relevante lezer;
q) Geheugen
een elektronisch geheugenmedium dat in het controleapparaat ingebouwd is;
r) digitale handtekening
gegevens toegevoegd aan, of een cryptografische transformatie van een gegevensblok waarmee de ontvanger van de gegevens de authenticiteit en integriteit van de gegevens kan verifiëren;
het kopiëren, samen met een digitale handtekening, van (een gedeelte van) de gegevens die in het geheugen van het voertuig of in het geheugen van de tachograafkaart opgeslagen zijn;
Bij het overbrengen mogen opgeslagen gegevens niet gewijzigd of gewist worden.
een door de autoriteiten van een lidstaat aan elke bestuurder afzonderlijk afgegeven tachograafkaart;
De bestuurderskaart identificeert de bestuurder en registreert de activiteiten van de bestuurder.
u) Effectieve omtrek van de wielbanden
gemiddelde afstand, afgelegd door elk van de wielen die het voertuig aandrijven (aandrijfwielen) bij een volledige omwenteling. Het meten van deze afstanden moet geschieden onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI) en wordt als volgt uitgedrukt:
I = . . . mm; Voertuigfabrikanten kunnen het meten van deze afstanden vervangen door een theoretische calculatie waarbij wordt uitgegaan van de verdeling van het gewicht op de assen, ongeladen voertuig in normale rijklare toestand (3). De methoden voor deze theoretische calculatie moeten door de bevoegde autoriteit van de lidstaat worden goedgekeurd;
v) voorval
een door het controleapparaat ontdekt abnormaal functioneren dat mogelijk het gevolg is van een fraudepoging;
w) fout
een door het controleapparaat ontdekt abnormaal functioneren dat mogelijk het gevolg is van een slechte werking van of storing in het apparaat;
x) installatie
het plaatsen van het controleapparaat in een voertuig;
y) bewegingsopnemer
deel van het controleapparaat dat een signaal afgeeft betreffende de snelheid van het voertuig en/of de afgelegde
afstand;
z) ongeldige kaart
een kaart die ongeldig is of waarvan de eerste authenticatie mislukt is, of waarvan de geldigheidsuur nog niet begonnen is of reeds verstreken is;
aa) niet verplicht
wanneer het gebruik van het controleapparaat volgens de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad niet vereist is.
bb) snelheidsoverschrijding
overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van het voertuig, omschreven als een periode van meer dan 60 seconden waarin de gemeten snelheid van het voertuig de maximumsnelheid waarop de snelheidsbegrenzer is afgesteld overschrijdt, zoals vastgelegd in Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (4).
cc) periodieke controle
een reeks verrichtingen die worden uitgevoerd om te controleren of het controleapparaat goed werkt en de instellingen overeenkomen met de voertuigparameters;
dd) printer
deel van het controleapparaat dat opgeslagen gegevens afdrukt;
ee) controleapparaat
het volledige in wegvoertuigen in te bouwen apparaat om gegevens betreffende het rijden van deze voertuigen en bepaalde werktijden van hun bestuurder aan te geven en automatisch of semi-automatisch te registreren en op te slaan;
ff) vernieuwing
afgifte van een nieuwe tachograafkaart wanneer een bestaande kaart verlopen of defect is en teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte. Vernieuwing geeft altijd de zekerheid dat er geen twee geldige kaarten zijn;
gg) reparatie
reparatie van een bewegingsopnemer of van een voertuigunit die moet worden losgekoppeld van de stroomvoorziening of van andere componenten van het controleapparaat, of die moet worden geopend;
hh) vervanging
afgifte van een tachograafkaart ter vervanging van een bestaande kaart, die als verloren, gestolen of defect gemeld is en die niet teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte. Bij vervanging bestaat altijd het risico dat twee geldige kaarten in omloop zijn;
ii) veiligheidscertificatie
proces ter certificering, door een certificeringsinstantie van de ITSEC (5), dat het onderzochte controleapparaat (of een component daarvan) of de tachograafkaart voldoet aan de veiligheidseisen zoals vastgelegd in appendix 10 Algemene veiligheidsdoelstellingen;
jj) zelfbeproeving
beproevingen die het controleapparaat periodiek en automatisch uitvoert om fouten te ontdekken;
kk) tachograafkaart
smartcard voor gebruik in het controleapparaat. Het controleapparaat kan door middel van een tachograafkaart de identiteit (of identiteitsgroep) van de kaarthouder vaststellen en gegevens verzenden en opslaan. Een tachograafkaart is er in de volgende uitvoeringen:
- bestuurderskaart,
- controlekaart,
- werplaatskaart,
- bedrijfskaart
ll) typegoedkeuring
een proces ter certificering, door een lidstaat, dat het onderzochte controleapparaat (of een component daarvan) of de tachograafkaart voldoet aan de eisen van deze verordening;
mm) bandenmaat
de omschrijving van de afmetingen van de banden (externe aandrijfwielen) overeenkomstig Richtlijn 92/23/EEG (6);
nn) identificatienummer van het voertuig
nummers die het voertuig identificeren: het kentekennummer van het voertuig met een indicatie van de lidstaat
van registratie en het Voertuigidentificatienummer (VIN-nummer) (7);
oo) voertuigunit (VU)
het controleapparaat met uitzondering van de bewegingsopnemer en de kabels waarmee de bewegingsopnemer aangesloten is. De voertuigunit mag uit een enkele unit bestaan of uit verscheidene units verspreid over het voertuig, mits de voertuigunit voldoet aan de veiligheidseisen van deze verordening;
pp) voor de berekening in het controleapparaat betekent "week":
het tijdvak tussen maandag 00.00 uur UTC-tijd en zondag 24.00 uur UTC-tijd;
qq) werkplaatskaart
een door de autoriteiten van een lidstaat aan een fabrikant van controleapparatuur, een installateur, een voertuigfabrikant of werkplaats afgegeven en door die lidstaat goedgekeurde tachograafkaart.
De werkplaatskaart identificeert de kaarthouder en met de werkplaatskaart kan het controleapparaat beproefd en gekalibreerd worden en/of kunnen gegevens worden overgebracht.
rr) adaptor toegevoegd door verordening 68/2009
deel van het controleapparaat dat een signaal afgeeft dat permanent representarief is door de snelheid van het voertuig en°of de afglegde afstand, en dat
- alleen in voertuig van het type M1 of N1 wordt geïnstalleerd en gebruikt (zoals gedefinieerd in bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad) en dat voor het eerst tussen 1 mei 2006 en 31 december 2013 in bedrijf wordt gesteld,
- geïnstalleerd is wanneer het mechanisch niet mogelijk is een ander bestaand type bewegingssensor te installeren die verenigbaar is met de bepalingen van Gemeenschap, deze bijlage en met aanhangsels 1 tot en met 11 daarbij,
- geïnstalleerd is tussen de voertuigeenheid en de plaats waar de snelheids-/afstandsimpulsen worden voortgebracht door geïntegreerde sensoren of alternatieve interfaces.
Gezien uit het standpunt van een voertuigeenheid is het gedrag van de adaptor hetzelfde als dat van een bewegingssensor die voldoet aan de voorschriften van deze bijlagen en van aanhangsels 1 tot en met 11 en die wordt aangesloten op de voertuigeenheid.
Het gebruik van een dergelijke adaptor in de bovenvermelde voertuigen maakt het mogelijk een voertuigeenheid te installeren en te gebruiken die voldoet aan alle voorschriften van deze bijlage.
Voor die voertuigen bestaat het controleapparaat uit kabels, een adaptor en een voertuigeenheid.
(1) Door deze berekeningswijze van de rijtijdperiode en de cumulatieve rusttijd kan het controleapparaat de rijtijdwaarschuwing berekenen.
Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de wettelijke interpretatie van deze tijden.
(2) ONBEKENDE periodes komen overeen met periodes waarin de bestuurderskaart niet in het controleapparaat ingebracht was en de activiteiten van de bestuurder niet handmatig werden ingevoerd.
(3) Richtlijn 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 1997 betreffende de massa's en afmetingen van bepaalde categorie
ën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG (PB L 233 van 25.8.1997, blz. 1).
(4) PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27.
(5) Aanbeveling 95/144/EG van de Raad van 7 april 1995 inzake gemeenschappelijke veiligheidsbeoordelingscriteria voor informatietechnologie (PB L 93 van 26.4.1995, blz. 27).
(6) PB L 129 van 14.5.1992, blz. 95.
(7) Richtlijn 76/114/EEG van 18.12.1975 (PB L 24 van 30.1.1976, blz. 1).
|
|||||
|
|
|