|
Tacho |
VERORDENING (EG) nr. 561/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging |
|
HOOFDSTUK V
|
CONTROLEPROCEDURES EN SANCTIES
1. Indien er in het voertuig geen controleapparaat is geïnstalleerd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3821/ 85, zijn de bepalingen in de leden 2 en 3 van dit artikel van toepassing op:
a) geregelde diensten van nationaal personenvervoer; en
b) geregelde diensten van internationaal personenvervoer, indien het begin- en het eindpunt van de lijn zich bevinden binnen een afstand van 50 km hemelsbreed van een grens tussen twee lidstaten, en indien het traject niet langer is dan 100 km.
2. De vervoersonderneming stelt een dienstregeling en een- dienstrooster op, die voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster moeten bevatten van de verschillende rijperioden, de andere werkzaamheden, de onderbrekingen en de beschikbaarheid.
Iedere bestuurder die een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben.
3. Het dienstrooster moet:
a) alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die minimaal de vorige 28 dagen beslaat; deze gegevens moeten met regelmatige tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan één maand, worden bijgewerkt;
b) worden ondertekend door het hoofd van de vervoersonderneming of diens gevolmachtigde; en
c) na afloop van de betrokken periode gedurende één jaar worden bewaard door de vervoersonderneming. De vervoersonderneming verstrekt de betrokken bestuurdersop verzoek een uittreksel uit het rooster; en
d) op verzoek van een met controle belaste ambtenaar worden getoond en overhandigd.
Art. 16 (boetetarief KB 27 april 2007)
50 Eur = Tijdens het uitvoeren van de in art. 16 omschreven vormen van geregeld personenvervoer bevindt er zich een dienstrooster in het voetuig dat niet werd opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van §§2 en 3 van bovengenoemd artikel zonder dat de controle van de prestaties van de bestuurder in het gedrang komt.
1.200 EUR = Tijdens het uitvoeren van de in art. 16 omschreven vormen van geregeld personenvervoer bevindt er zich
1) geen uittreksel uit het dienstrooster en/of geen afschrift van de dienstregeling of geen registratiebladen of afdrukken uit de digitale tachograaf (indien andere dan geregelde diensten werden gepresteerd) in het voertuig.
2) een dienstrooster in het voetuig dat niet werd opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van §§2 en 3 van bovengenoemd artikel zodanig dat de controle van de prestaties van de bestuurder onmogelijk wordt.
1.600 EUR = Tijdens het uitvoeren van de in art. 16 omschreven vormen van geregeld personenvervoer bevindt er zich geen of geen conform uittreksel uit het dienstrooster in het voertuig waardoor de controlebeambte bovendien niet kan nagaan of aan de verplichting van de dagelijkse of wekelijkse rusttijd werd voldaan tijdens respectievelijk de laatste 24 of 48 uur.
1. Lidstaten moeten aan de hand van het standaardschema zoals beschreven in Beschikking 93/173/EEG (1) aan de Commissie de nodige inlichtingen verstrekken zodat zij in staat wordt gesteld om de twee jaar een verslag op te stellen over de toepassing van deze verordening en van Verordening (EEG) nr. 3821/85 en over de ontwikkelingen op de betrokken gebieden.
2. De Commissie moet deze inlichtingen uiterlijk op 30 september van het jaar na afloop van de betrokken tweejarige periode ontvangen.
3. In dit verslag wordt aangegeven in welke mate van de uitzonderingsbepalingen in artikel 13 gebruik is gemaakt.
4. De Commissie legt dit verslag binnen dertien maanden na afloop van de betrokken tweejarige periode voor aan het Europees Parlement en de Raad.
( 1) PB L 72 van 25.3.1993, blz. 33.
Artikel 18
De lidstaten stellen de nodige maatregelen voor de uitvoering van deze verordening vast.
Artikel 19
1 De lidstaten stellen regelgeving vast inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en op Verordening (EEG) nr. 3821/85 en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en niet-discriminerend te zijn en een afschrikkende werking te hebben. Geen enkele inbreuk op deze verordening of op Verordening (EEG) nr. 3821/85 mag aan meer dan één sanctie of procedure onderworpen worden. De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op de in artikel 29, tweede alinea, vermelde datum mededeling van deze maatregelen en van de regelgeving inzake sancties. De Commissie stelt de lidstaten hiervan in kennis.
2 De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een sanctie kunnen opleggen aan een onderneming en/of bestuurder voor een inbreuk op deze verordening die zij op hun grondgebied vaststellen en waarvoor nog geen sanctie is opgelegd, ook wanneer die inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land.
Wanneer een inbreuk wordt vastgesteld:
kan een lidstaat, bij wijze van uitzondering, tot 1 januari 2009, in plaats van een sanctie op te leggen, de feiten aangaande de inbreuk ter kennis brengen van de bevoegde instantie van de lidstaat of het derde land waar de onderneming gevestigd is of waar zich de plaats van tewerkstelling van de bestuurder bevindt.
3. Wanneer een lidstaat voor een bepaalde inbreuk een procedure instelt of een sanctie oplegt, verstrekt hij de bestuurder een schriftelijk bewijs daarvan.
4. De lidstaten zien erop toe dat er een systeem van evenredige sancties, waaronder eventueel financiële sancties, van kracht is voor inbreuken op deze verordening of Verordening (EEG) nr. 3821/85 door ondernemingen, of door de daarbij betrokken afzenders expediteurs, bevrachters, touroperators, hoofd- en onderaannemers en uitzendbureaus voor chauffeurs.
Artikel 20
1. De bestuurder moet alle bewijzen die een lidstaat met betrekking tot sancties of het instellen van een procedure heeft verstrekt, bewaren totdat dezelfde inbreuk op deze verordening niet langer tot een tweede procedure of sanctie uit hoofde van de verordening kan leiden.
2. De bestuurder legt de in lid 1 bedoelde bewijzen op verzoek over.
3. Een bestuurder die in dienst is bij of ter beschikking gesteld wordt van meer dan één vervoersonderneming, moet elke onderneming de informatie verschaffen die deze nodig heeft om te voldoen aan hoofdstuk II.
Artikel 21
In die gevallen dat een lidstaat oordeelt dat er zich een inbreuk op deze verordening stelt die de verkeersveiligheid op manifeste wijze in gevaar brengt, machtigt zij de bevoegde autoriteiten het betrokken voertuig stil te leggen tot het ogenblik waarop een einde is gemaakt aan de oorzaak van de inbreuk. Een lidstaat kan de bestuurder verplichten een dagelijkse rusttijd te nemen. Een lidstaat kan tevens in voorkomend geval de vergunning van een onderneming intrekken, schorsen of beperken als die onderneming in de betrokken lidstaat is gevestigd, of het rijbewijs van een bestuurder intrekken, schorsen of beperken. De Commissie, handelend volgens artikel 24, lid 2, ontwikkelt richtsnoeren ter bevordering van een geharmoniseerde toepassing van dit artikel.
Artikel 22
1. De lidstaten verlenen elkaar assistentie bij de toepassing van deze verordening en het toezicht op de naleving daarvan.
2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten doen elkaar geregeld alle beschikbare informatie toekomen over:
a) inbreuken op de bepalingen in hoofdstuk II door niet ingezetenen en de sancties die zij voor deze inbreuken op hen hebben toegepast;
b) sancties die een lidstaat voor in andere lidstaten gemaakte inbreuken op zijn ingezetenen heeft toegepast.
3. De lidstaten doen geregeld relevante informatie over de nationale interpretatie en toepassing van deze verordening toekomen aan de Commissie, die deze informatie in elektronische vorm ter beschikking zal stellen van de andere lidstaten.
4. De Commissie faciliteert de dialoog tussen de lidstaten onderling inzake de nationale interpretatie en toepassing van deze verordening door middel van het comité bedoeld in artikel 24, lid 1.
Artikel 23
De Gemeenschap opent onderhandelingen met derde landen wanneer dit nodig is voor de toepassing van deze verordening.
Artikel 24
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité ingesteld bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3821/85.
2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.
3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 25
1. Op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief:
a) onderzoekt de Commissie gevallen waar zich verschillen voordoen in de toepassing en handhaving van de verordening, met name wat betreft rijtijden, onderbrekingen en rusttijden;
b) licht de Commissie de verordening toe, teneinde een uniforme aanpak te bevorderen.
2. In de gevallen bedoeld in lid 1 neemt de Commissie een besluit over de aanbevolen aanpak overeenkomstig de procedure zoals bedoeld in artikel 24, lid 2. De Commissie deelt haar besluit mede aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten.
|
|||||
|
|
|