Tacho

RICHTLIJN (EG) nr. 2006/22 van het Europees Parlement en de Raad inzake miniumuvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen EEG 3820/85 en 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van
Richtlijn 88/599/EEG van de Raad (P.B. 11.04.2006)

Home


Bijlage I

Deel A Wegcontroles

Bij wegcontroles worden in het algemeen de volgende punten gecontroleerd: dagelijkse en wekelijkse rijtijden, onderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden; de registratiebladen van de voorgaande dagen, die volgens artikel 15, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 aan boord van het voertuig moeten zijn en/of de gegevens die voor dezelfde periode worden opgeslagen op de bestuurderskaart en/ of in het geheugen van het controleapparaat overeenkomstig bijlage II en/of op afdrukken;

voor de in artikel 15, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 bedoelde periode, alle gevallen van overschrijding van de toegestane snelheid door het voertuig, d.w.z. alle perioden van meer dan 1 minuut waarin de snelheid van het voertuig meer dan 90 km/h voor voertuigen van de categorie N3, respectievelijk 105 km/h voor voertuigen van de categorie M3 bedraagt (de categorieën N3 en M3 zijn gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan;

indien van toepassing, de momentane snelheden die door het controleapparaat gedurende ten hoogste de 24 afgelopen uren waarin het voertuig is gebruikt, geregistreerd zijn;

de correcte werking van het controleapparaat (vaststelling van eventueel misbruik van het controleapparaat en/ of de bestuurderskaart en/of de registratiebladen) of, indien van toepassing, de aanwezigheid van de in artikel 14, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 3820/85 bedoelde documenten.

Deel B Controles ter plaatse bij ondernemingen

Bij controles ter plaatse bij ondernemingen worden, naast de punten vermeld in deel A, ook de volgende punten gecontroleerd:

de wekelijkse rusttijden en de rijtijden tussen die rusttijden;

het in acht nemen van de tweewekelijkse beperking van de rijtijden;

registratiebladen, gegevens van het voertuig en de bestuurderskaart en afdrukken.

Bij vaststelling van een inbreuk mogen de lidstaten, waar passend, nagaan of er sprake is van medeaansprakelijkheid bij andere aanstichters of medeplichtigen in de transportketen, zoals bevrachters, expediteurs of onderaannemers, waarbij ook nagegaan mag worden of, in geval van vastgestelde inbreuk, de vervoerscontracten naleving van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 mogelijk maken.

Bijlage II

Standaardapparatuur voor de handhavingseenheden

De lidstaten zorgen ervoor dat de handhavingseenheden bij de uitvoering van de taken als omschreven in bijlage I beschikken over de volgende standaardapparatuur:

apparatuur waarmee de gegevens vanuit het voertuig en de bestuurderskaart van de digitale tachograaf kunnen worden overgebracht en waarmee gegevens kunnen worden gelezen en geanalyseerd en/of bevindingen voor analyse kunnen worden doorgestuurd naar een centrale databank;

apparatuur om de tachograafschijven te controleren.

Bijlage III

Inbreuken

Overeenkomstig artikel 9, lid 3, en met het oog op de toepassing van deze richtlijn, dient de volgende niet-exhaustieve lijst tot richtsnoer voor wat kan beschouwd worden als een inbreuk:

de maximaal toegestane dagelijkse, zesdagelijkse of tweewekelijkse rijtijden overschrijden;

de minimaal verplichte dagelijkse of wekelijkse rusttijd niet naleven;

de minimaal verplichte duur van de onderbreking niet naleven;

nalaten een tachograaf te installeren overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EEG) nr. 3821/85.

[ met betrekking tot de classificatie van ernstige inbreuken verklaart de Commissie dat volgens haar onder meer het volgende moet worden verstaan onder ernstige inbreuken op de verordening tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer:

1. de maximaal toegestane dagelijkse, zesdagelijkse of tweewekelijkse rijtijden met 20 % of meer overschrijden;

2. de minimaal verplichte dagelijkse of wekelijkse rusttijd met 20 % of meer niet naleven;

3. de minimaal verplichte duur van de onderbreking met 33 % of meer niet naleven, en

4. nalaten een tachograaf te installeren overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EEG) nr. 3821/85. ]